← Week 42

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 20 oktober 1989

Décharge aan directeur-meerderheidsaandeelhouder: nietigheid wegens benadeling vennootschap en goede trouw

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een vennootschap spreekt haar voormalige directeur en meerderheidsaandeelhouder aan wegens een zonder onderzoek of zekerheden verstrekte lening, maar de algemene vergadering had hem volledige décharge verleend. De A-G concludeert dat een décharge voor opzettelijk aan de vennootschap toegebrachte schade niet reeds daarom nietig is, ook niet bij een meerderheidsaandeelhouder. Ook het beroep op de décharge is volgens hem niet in strijd met de goede trouw. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Ik meen dat beide onderdelen falen. a . Weliswaar aanvaard ik met de heersende leer dat een besluit van een orgaan van een vennootschap nietig kan zijn wegens strijd met de openbare orde of de goede zeden; zie bijv. Noldus, Ongeldigheid van besluiten in de N.V. (1969), blz. 77 e.v., Van der Heijden-Van der Grinten, Handboek voor de N.V. en B.V. (1989), nr. 226, Asser-Van der Grinten II, nr. 129, Rechtspersonen, Alg. Deel (Van Schilfgaarde), art. 11, aant. 17. Maar het enkele feit dat de décharge betrekking heeft op aansprakelijkheid voor schade die opzettelijk aan de vennootschap is toegebracht, is m.i. niet voldoende om de nietigheid aan te nemen, ook niet indien de schadeveroorzakende handeling is verricht door de bestuurder die de meerderheid van de aandelen en daarmee de macht binnen de vennootschap in handen heeft. b . Exoneratie is niet gelijk te stellen met décharge. Exoneratie betreft (kort gezegd en voor zover hier van belang) de uitsluiting van aansprakelijkheid ter zake van nog te verrichten handelingen; décharge betreft het ontslag uit aansprakelijkheid voor gepleegde handelingen. Dit ontslag kan ook betrekking hebben op aansprakelijkheid ter zake van opzettelijk veroorzaakte schade, mits aan de déchargerende partij bekend; een schuldeiser kan immers in beginsel over al zijn vermogensrechten beschikken. Vgl. o.m. Rechtspersonen, a.w., art. 8, aant. 8, Handboek voor de N.V. en B.V., nr. 260, Pitlo- Löwensteijn blz. 293, Grosheide, De N.V. 1954, blz. 85–86 (VI […]”

r.o. 4

“Overzichtelijkheidshalve behandel ik aansluitend onderdeel 1 van het (voorwaardelijke) incidentele beroep dat op dezelfde rechtsoverweging betrekking heeft: het betoogt dat een décharge in het door het hof bedoelde uitzonderingsgeval geenszins zonder meer rechtens ongeoorloofd is. Ik acht het onderdeel gegrond; het zojuist opgemerkte is m.i. ook (en voor wat de identiteit van financiële belangen zelfs a fortiori) van toepassing indien de b.v. één aandeelhouder heeft. Van een onderscheiden behandeling dient m.i. geen sprake te zijn. Wellicht zinspeelt het hof met het criterium van de ‘’directeur-enig aandeelhouder’’ op de opvatting van Roelvink, Preadvies NJV 1977, blz. 144, die vereenzelviging tussen aandeelhouder en vennootschap alleen juist acht wanneer er één aandeelhouder is, omdat alleen dan van volkomen identiteit van financiële belangen kan worden gesproken. Maar daarbij gaat het om een andere problematiek, te weten het vereenzelvigen van aandeelhouder en vennootschap jegens derden . In de interne verhouding baat de notie van vereenzelviging de eisende vennootschap uiteraard niet. Die leidt er immers toe de aandeelhouder als ware gerechtigde tot het vennootschapsvermogen te beschouwen, waarmee tegelijkertijd de gestelde benadeling verdwijnt. 6. De subonderdelen 1a en b van middel III in het principale beroep komen op tegen 's hofs oordeel in de r.o. 3 t/m 6 dat het beroep door [verweerder] op de décharge niet in strijd is met de goede trouw. Subonderdeel 1a stelt […]”

r.o. 5

“De subonderdelen 1a en b van middel III in het principale beroep komen op tegen 's hofs oordeel in de r.o. 3 t/m 6 dat het beroep door [verweerder] op de décharge niet in strijd is met de goede trouw. Subonderdeel 1a stelt daartoe dat [verweerder] frauduleus jegens de b.v. heeft gehandeld, terwijl subonderdeel 1b het belang aanvecht dat het hof aan [betrokkene] medeweten heeft gehecht. Uit het boven betoogde vloeit eigenlijk al voort dat naar mijn mening ook deze klachten tevergeefs worden voorgedragen. Immers, als het op zich rechtens niet ongeoorloofd is dat aan een bestuurder décharge wordt verleend terzake van opzettelijk (wil men: frauduleus) aan de b.v. toegebrachte schade, dan is het op zichzelf ook niet in strijd met de goede trouw dat de bestuurder zich daarop beroept. En waar het oordeel over de geoorloofdheid van zo'n décharge anders kan zijn, indien zij in schade aan derden resulteert, kon het hof geredelijk [betrokkene] kennis terzake laten meewegen, nu hij — c.q. de door hem vertegenwoordigde koper van het aandelenkapitaal — de enige derde was die door de gedragingen van [verweerder] benadeeld kon worden. Onderdeel 2 bouwt op onderdeel 1 voort en moet dus het lot daarvan delen. 7. Nu het principaal beroep m.i. faalt, behoeft het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep geen behandeling. Overigens acht ik, zoals sub 5 bleek, onderdeel 1 juist, en (blijkens het sub 6 opgemerkte) onderdeel 2 onjuist. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De […]”

r.o. 6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:1989:AD0915
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
20 oktober 1989
Datum publicatie
22 mei 2023
Spoor
Boek 2 BW
Thema
Besluitvorming en vernietigbaarheid, Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
["bestuurder"][0]
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 42 van 1989

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.