Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 9 juli 1990
Enquête: beleid van de rechtspersoon en verweer door verdeelde directie
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Aandeelhouders van een beleggingsmaatschappij vragen om een enquête, omdat een verdeelde directie en de algemene vergadering een statutenwijziging blokkeren die dividenduitkering moet mogelijk maken. De OK wees het verzoek af omdat dit gedrag niet onder het begrip beleid van artikel 2:350 lid 1 BW valt. De A-G acht het oordeel over de vertegenwoordiging van de vennootschap in de procedure juist, maar de motivering van het oordeel over de afspraak tussen de oprichters ontoereikend. Hij concludeert tot vernietiging.
Kernoverwegingen
“In het tweede middelonderdeel bestrijden verzoekers het standpunt dat het Hof heeft ingenomen jegens het door [directeur 2] in zijn kwaliteit van directeur der vennootschap ingediend verweerschrift. Bij gebreke van een eenstemmig besluit van de directie der vennootschap - [directeur 2] en [verzoeker 3] stonden immers tegenover elkaar - zijn verzoekers van mening dat het Hof van het door de vennootschap ingediende verweerschrift geen kennis behoort te nemen, nu het verweer slechts het standpunt van één van beide directeuren weergeeft. Op grond van een redelijke uitleg van de vennootschapsrechtelijke bepalingen heeft het Hof overwogen dat in een geval als het onderhavige "een bij meerderheid tot stand gekomen bestuursbesluit dat de vennootschap verweer zal voeren niet vereist is, en dat de vennootschap vertegenwoordigd op de statutair aangewezen wijze tegen het verzoek verweer kan voeren" (blz. 12). Hiertegenover voeren verzoekers aan dat in 's Hofs opvatting "een van de directeuren van de besluitvorming in de directie wordt uitgesloten" (blz. 3 onder 2b) en dat in de onderhavige situatie "gesproken kan worden van misbruik van bevoegdheid om de vennootschap te vertegenwoordigen, juist ook nu er sprake was van eigen belang van ieder van de directeuren en van tegenstrijdig belang met de vennootschap" (blz. 4). Uit de pleitnotities van mr. D.W.O.A. Grosheide, die betrekking hebben op het door de vennootschap voor het Hof ingediende verweerschrift, citeer ik: "Het mag waar zijn […]”
r.o. 4
“Het gaat in artikel 345 boek 2 BW om het beleid (en de gang van zaken) van de rechtspersoon. Dit beleid gaat van de rechtspersoon uit in en door haar organen. het beleid der organen wordt immers aan de rechtspersoon toegerekend. In casu heeft de algemene vergadering van aandeelhouders geweigerd te bewilligen in een statutenwijziging. Motiveert zulks het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap? Het Hof heeft overwogen dat "op grond van tekst en strekking van de wettelijke regeling van het enquêterecht niet (kan) worden gezegd dat dergelijk gedrag valt onder het begrip beleid van artikel 2:350, lid 1, BW" (blz. 13). Met 'dergelijk gedrag' wordt echter niet gedoeld op aan de rechtspersoon toe te rekenen gedrag, maar op een mogelijk onredelijk dan wel onbillijk gedrag van de ene aandeelhouder jegens de andere. Dat zodanig gedrag niet valt onder het begrip beleid van artikel 350 lid 1 BW ligt voor de hand, want in dit artikellid komt uitsluitend het beleid van de rechtspersoon aan de orde. Verzoekers schrijven dan ook in hun cassatieverzoekschrift: "Aldus miskent het Hof dat het er voor de toepassing van de wettelijke bepalingen over de enquête en in het bijzonder artikel 2;350 lid 1 BW om gaat - niet wat een of meer individuele aandeelhouders wensen of niet wensen, maar - of de vennootschap resp. het betreffende orgaan van de vennootschap, in casu de directie en/of de algemene vergadering van aandeelhouders, zich schuldig maakt aan […]”
r.o. 6
“Dat de zg. geschillenregeling speciaal toegesneden is op de oplossing van geschillen tussen aandeelhouders, moge juist zijn, maar dit sluit niet uit dat in geval van onoverbrugbare tegenstellingen tussen aandeelhouders ook toepassing van het enquêterecht tot de mogelijkheden behoort. Vgl. de memorie van toelichting behorende bij de wet van 10 november 1988 tot invoering van een geschillenregeling in besloten vennootschappen en bepaalde naamloze vennootschappen, Stbl. 516, met name onderdeel 1 Algemeen, blz. 7/9. Zie ook C.A. Boukema, Titel 7 Boek 2 BW en de vennootschappelijke patstelling, Slagter-bundel 1988, blz. 31 e. v. Menigmaal heeft de Ondernemingskamer op grond van een vennootschappelijke impasse aangenomen dat er gegronde redenen waren om aan een juist beleid te twijfelen, maar uiteraard eerst dan als deze impasse de besluitvorming binnen de vennootschap vrijwel had verlamd, zodat in feite sprake was van non-beleid (lees: wanbeleid). Voor de onderhavige situatie heeft het Hof vastgesteld dat "gesteld noch gebleken is dat het door de directie gevoerde beleid niet zou vallen binnen de doelstelling van de vennootschap of dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleggingsbeleid zoals dat door de directie is gevoerd" (blz. 13). 8. Het hierboven onder 6 weergegeven betoog ontleend aan het verweerschrift in cassatie, staat of valt met de houdbaarheid van de aanhef. Dat er een afspraak was tussen de oprichters-aandeelhouders onderling valt niet te […]”
r.o. 7