Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 10 januari 1990
Enquête: cassatiebevoegdheid, doelen enquêterecht en begrip wanbeleid
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêtezaak tegen een failliete N.V. stelde de OK wanbeleid vast, zonder voorzieningen te treffen. Voormalige bestuurders en commissarissen gingen in cassatie. De A-G acht hen op grond van artikel 2:359 BW in samenhang met artikel 426 Rv ontvankelijk tegen de eindbeschikking, benadrukt dat het enquêterecht ook strekt tot opening van zaken en vaststelling van verantwoordelijkheid, en concludeert dat het criterium van de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap juist is.
Kernoverwegingen
“Ontvankelijkheid van het beroep tegen de eerste beschikking. De vraag waar het hier om gaat is of de eerste beschikking beschouwd moet worden als een eindbeschikking, dan wel als een tussenbeschikking. In het tweede geval kon daartegen, tegelijk met het cassatieberoep tegen de eindbeschikking (die van december 1987), beroep in cassatie worden ingesteld. In het eerste geval diende cassatieberoep binnen twee maanden na de beschikking van 22 december 1983 te worden ingesteld. Dat laatste is niet gebeurd, zodat, in deze veronderstelling, het beroep tegen de eerste beschikking tardief zou zijn. Een eindvonnis (of -beschikking) is een vonnis (beschikking) waarmee de instantie (behandeling van de zaak) wordt beëindigd . Beëindiging van een instantie zal m.n. plaatshebben door toewijzing of afwijzing van de vordering. In het geval van een enquête is de vordering of het verzoek, bedoeld in art. 2:345 BW en de beslissing daarop is (afgezien van een beslissing tot niet-ontvankelijkheid, als bedoeld in art. 2:349) de toewijzing of afwijzing in de zin van art. 2:350. Met zo'n beslissing is de instantie beëindigd. Weliswaar kan — zoals in casu is gebeurd — na en naar aanleiding van de enquête een tweede beslissing volgen, maar daartoe moet dan opnieuw een verzoek of vordering worden gedaan (art. 2:355). Dit systeem betekent m.i. dat een beslissing tot zowel toewijzing als afwijzing van een verzoek/vordering tot het houden van een enquête als een eindbeschikking moet worden aangemerkt. Ook […]”
r.o. 2.1
“Hoewel men Boukema kan toegeven dat exclusieve werking van een wetsbepaling niet te gemakkelijk mag worden aangenomen, duidt de redactie van art. 2:359 BW toch wel in de richting van exclusieve werking, dus van opvatting b. De geciteerde passage uit de memorie van toelichting is in wezen nietszeggend. Verwezen wordt immers naar de artt. 426 en volgende . Daarmee moet bedoeld zijn: de artt. 426 t/m 429. Deze zeven wetsartikelen bevatten een hele reeks van bepalingen. Zelfs in het eerste lid van art. 426, waarom het hier gaat, zijn nog twee verschillende bepalingen te onderkennen. Door exclusieve werking toe te kennen aan art. 2:359 BW zou slechts één van die twee bepalingen terzijde gesteld worden; de tweede (cassatietermijn) uiteraard niet. Een zwak punt van opvatting a is dat men zich kan afvragen wat eigenlijk het nut is van art. 359, indien dit naast art. 426, lid 1, Rv. van toepassing zou zijn, vooral gezien de ruime uitleg die aan het begrip ‘’in een der vorige instantiën verschenen’’ moet worden gegeven . De procureur-generaal die de vordering heeft gedaan en de verzoekers kunnen m.i. zonder meer als in de vorige instantie (bij de ondernemingskamer) verschenen worden aangemerkt. Dat de rechtspersoon geen verweer zou voeren is op zichzelf onwaarschijnlijk, maar voor het voorzien in dit onwaarschijnlijke geval was een eenvoudiger en helderder wetsbepaling mogelijk geweest . Wettekst en wetssystematiek doen vermoeden dat de wetgever opvatting b voor ogen heeft gestaan. […]”
r.o. 2.2.5
“Zoals bleek is ook preventie als doelstelling genoemd. Men kan deze zien als een verder weg gelegen doel. Vooral opening van zaken kan een preventief effect hebben. Net als in het strafrecht kan men hier onderscheiden tussen speciale en generale preventie. In een geval als het onderhavige, waarin de betrokken vennootschap is ontbonden, zal van speciale preventie wel geen sprake kunnen zijn. Daarbij laat ik speciaal- preventieve effecten op bij Ogem betrokken natuurlijke personen, waarvan sommige nieuwe functies in het bedrijfsleven gevonden hebben, buiten beschouwing. De ontbinding van de vennootschap doet echter niet af aan het generaal-preventieve effect. Wederom naar analogie van het strafrecht kan men als achterliggend doel, vooral ook in verband met de gewenste opening van zaken, ook vergelding of conflictsoplossing zien. Vergelding mag men dan niet in letterlijke zin opvatten: de aandeelhouders zijn hun geld kwijt. Desondanks zullen zij in vaststelling van verantwoordelijkheid, en in het openlijk aan de kaak stellen van de verantwoordelijken, toch een zekere mate van genoegdoening kunnen zien. Daarvoor zijn voorzieningen niet steeds nodig. De declaratoire vaststelling van wanbeleid, zoals het hof hier heeft gedaan, kan voldoende zijn.”
r.o. 3.4