← Week 17

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 26 april 1996

Fiscus uit onrechtmatige daad tegen aandeelhouders die vennootschappen leeghalen

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

De fiscus vordert uit onrechtmatige daad schadevergoeding van een gezin en hun BV's die vennootschappen kochten, leegtrokken en doorverkochten, waardoor belastingschulden onverhaalbaar werden. De P-G concludeert dat de ontvanger op grond van het open systeem van de Invorderingswet 1990 zo'n vordering kan instellen. De bijzondere aansprakelijkheid van artikel 40 Invorderingswet 1990 sluit dat volgens hem niet uit. Of het handelen onrechtmatig is, is nog niet beoordeeld.

Kernoverwegingen

“Zoals wij hiervoor hebben gezien maakt art. 3 lid 3 bij wijze van uitzondering de ontvanger bevoegd als zodanig in rechte op te treden ‘’in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak’’. Die taak is de invordering (art. 3 lid 1) of, zoals de memorie van antwoord (hiervoor in nr. 2.2 geciteerd) zegt: het ervoor zorgen dat de (materieel verschuldigde en formeel vastgestelde) belastingbedragen in de schatkist komen. Hier stelt de Ontvanger een vordering uit onrechtmatige daad in tegen derden door wier toedoen belastingbedragen niet meer kunnen worden ingevorderd en vordert hij als schadevergoeding de gederfde bedragen. Ik heb geen twijfels dat de Ontvanger aldus bezig is ervoor te zorgen dat belastingbedragen langs een andere weg in de schatkist komen en dat hij daarom bevoegd is als zodanig in rechte op te treden. Meer algemeen komt het mij voor dat ook hier, evenals ten aanzien van de bevoegdheid van de belastingdeurwaarder — zie HR 10 januari 1992, NJ 1992, 744 (HJS) en HR 24 februari 1995, NJ 1995, 307— hard and fast rules in hoge mate wenselijk zijn. Uitvoerige discussies over de bevoegdheid van de ontvanger, zoals zij in onze zaak worden gevoerd, dienen geen enkel redelijk belang: zeker niet, als men weet dat de Staat, het Ministerie van Financiën, toch al bij de procedure betrokken is en dus de vraag wie er als eiser optreedt louter een kwestie van etikettering is. Ook daarom kan ik moeilijk aanvaarden dat de ontvanger wel bevoegd zou zijn […]”

r.o. 3.2

“Veel van wat hiervoor is gezegd kan ook dienst doen ter weerlegging van de materiële component van het onderdeel. Ik wil niet in herhalingen vervallen, maar toch wil ik nog iets zeggen over deze component, omdat de stelling dat de fiscus helemaal niet uit onrechtmatige daad kan ageren veel verder reikt dan de stelling dat alleen de ontvanger dat niet kan. De stelling van het onderdeel dat de fiscus (de ontvanger en eigenlijk ook de Staat) niet zou kunnen ageren uit onrechtmatige daad, is mijns inziens lijnrecht in strijd met het open systeem van de Invorderingswet. Dat systeem, neergelegd in art. 3 lid 2, houdt in dat de fiscus de bevoegdheden heeft die een crediteur in civilibus ook heeft. Algemeen aanvaard is dat zo een crediteur onder omstandigheden een derde die zijn verhaal frustreert uit onrechtmatige daad kan aanspreken. Ergo: de fiscus kan het ook. Wie anders leert, ondergraaft de openheid. Zie ik goed, dan beroept mr Meijer c.s. (blz. 13 e.v) zich in dit verband vooral op de hiervoor al genoemde regeling van de aansprakelijkheid in Hoofdstuk VI van de Invorderingswet: waarom zou de wetgever zich zo veel moeite hebben gegeven om de aansprakelijkheid van derden te regelen, als de fiscus toch iedere willekeurige derde uit onrechtmatige daad kan aanspreken? Ik moet zeggen dat ik mij de inspanningen van de wetgever wel kan voorstellen. Het geeft de fiscus in dit soort situaties meer houvast, wanneer hij de route van Hoofdstuk VI kan volgen dan de altijd enigszins […]”

r.o. 3.3

“Mr Meijer c.s. geeft zich in zijn schriftelijke toelichting (blz. 44 e.v.) veel moeite om te betogen dat het handelen van de M-groep onder de tekst en in ieder geval onder de strekking van art. 40 valt (waarbij ik me wel afvraag of hij dit ook met zo veel enthousiasme zou hebben betoogd, als de Ontvanger de M-groep op grond van dit artikel zou hebben aansprakelijk gesteld!). Het betoog maakt enige indruk: inderdaad is de M-groep niet alleen verkrijger van de aandelen, maar ook vervreemder (namelijk aan de katvangers); en er is iets voor te zeggen om ook de vervreemder die zelf tevoren ‘’verduistert’’ onder het artikel te brengen. Maar het overtuigt mij toch niet helemaal: de kern van het verwijt van de Ontvanger aan de M-groep is dat zij de vennootschappen heeft leeggehaald; voor zulke leeghalers is het artikel niet geschreven. Zelfs als het artikel op de M-groep zou kunnen worden toegepast, dan nog zou het naar mijn mening niet in de weg staan aan een actie uit onrechtmatige daad van de Ontvanger. Dat ligt besloten in het hiervoor besproken open systeem van de Invorderingswet dat meebrengt dat aan de ontvanger naast de hem in de Invorderingswet gegeven bevoegdheden ook toekomen de algemene bevoegdheden van het civiele recht, waaronder de bevoegdheid om een vordering uit onrechtmatige daad in te stellen. Zie in het bijzonder de laatste, hiervoor in 2.3 geciteerde alinea uit de memorie van toelichting. Ik wijs in dit verband ook op art. 32 lid 1 (het eerste artikel uit het […]”

r.o. 6.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:1996:38
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
26 april 1996
Datum publicatie
5 december 2022
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
aandeelhouder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 17 van 1996

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.