Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 mei 1999
Verhaal enquêtekosten op voormalig commissaris ingevolge artikel 2:354 BW
- Enquêterecht
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Na een enquête bij een failliete naamloze vennootschap heeft de OK de enquêtekosten hoofdelijk verhaald op voormalige bestuurders en commissarissen. In cassatie gaat het om de uitleg van artikel 2:354 BW. De A-G meent dat de OK ook op stellingen van partijen en andere stukken dan het verslag mag letten en dat geen al te zware eisen aan de verantwoordelijkheid gesteld mogen worden. Hij concludeert tot verwerping van het beroep.
Kernoverwegingen
“In ro. 3.10 heeft de ondernemingskamer inderdaad, zoals zij uitdrukkelijk heeft aangegeven, een verruimende uitleg van art. 2:354 gegeven. Het aanknopingspunt voor de vaststelling van verantwoordelijkheid voor onjuist beleid is wel het verslag, maar dat is niet het enige steunpunt waarop die vaststelling mag berusten. 3.1.3.2. Of de ondernemingskamer eerder een ander standpunt heeft ingenomen, zoals het middel betoogt , is een belangwekkend maar niet beslissend gegeven. De inzichten van een rechter zijn aan ontwikkeling onderhevig. 3.1.3.3. Bovendien lijkt de ruimere opvatting in overeenstemming met de bijna twee weken vóór de bestreden beschikking vastgestelde uitspraak inzake Text Lite van de Hoge Raad (zie noot 10). Aldaar heeft uw Raad overwogen (ro. 4.13.1.): “In het onderzoeksrapport (…) stelt de onderzoeker dat hij betwijfelt of S. en W. zich als commissaris voldoende op de hoogte hebben gesteld (…). Dat slechts twijfel werd uitgesproken behoefde voor de Ondernemingskamer geen aanleiding te zijn het beleid van S. en W. op het punt van voorraadwaardering niet te onderzoeken. Ook in een onderzoeksrapport uitgesproken twijfel kan voor de Ondernemingskamer grond opleveren om te dier zake tot een oordeel te komen.” In die zaak heeft de Hoge Raad de klacht tegen de beslissing van de ondernemingskamer dat de vennootschap de kosten van de enquête op de commissarissen mocht verhalen, niet gehonoreerd. 3.1.3.4. De in de vorige paragraaf geciteerde passage uit de beschikking […]”
r.o. 3.1.3.1
“Het oordeel van de Hoge Raad in de beschikking-Text Lite dat betrokkenen, alvorens een kostenveroordeling op grond van art. 2:354 tegen hen kan worden uitgesproken, in de gelegenheid moeten worden gesteld zich te verweren (ro. 4.4.2, slot) wijst in de richting van de in de bestreden beschikking te vinden ruime opvatting. Daaruit vloeit immers voort dat partijen nadere stellingen kunnen aanvoeren (en zo nodig met bescheiden onderbouwen). Dat betekent redelijkerwijs dat de ondernemingskamer met deze nadere stellingen en bescheiden rekening moet houden alvorens zij tot een (voldoende gemotiveerde) beslissing kan komen. Hierop stuiten de door het onderdeel voorgestelde klachten af. 3.1.4. Ten overvloede voeg ik nog het volgende toe. Het doel van art. 2:354 BW is niet zozeer het voeren van een afzonderlijke procedure over de persoonlijke aansprakelijkheid van individuele functionarissen, als wel het toedelen van de gemaakte onderzoekskosten aan die betrokkenen die daarvoor het meest in aanmerking komen. Men mag geen al te zware eisen stellen, waaraan voldaan moet zijn, wil de ondernemingskamer bepaalde functionarissen aansprakelijk houden voor de kosten van de enquête. De bewoordingen van de wet (die niet spreekt van wanbeleid maar slechts van onjuist beleid) duiden m.i. niet op zo’n eis. In de wetsgeschiedenis komt de ernst van de fout ook niet als een verzwaring van het aansprakelijkheidscriterium ter sprake . Bovendien vloeit ook uit het voorgaande voort dat het in wezen gaat […]”
r.o. 3.1.3.5
“Ten overvloede voeg ik nog het volgende toe. Het doel van art. 2:354 BW is niet zozeer het voeren van een afzonderlijke procedure over de persoonlijke aansprakelijkheid van individuele functionarissen, als wel het toedelen van de gemaakte onderzoekskosten aan die betrokkenen die daarvoor het meest in aanmerking komen. Men mag geen al te zware eisen stellen, waaraan voldaan moet zijn, wil de ondernemingskamer bepaalde functionarissen aansprakelijk houden voor de kosten van de enquête. De bewoordingen van de wet (die niet spreekt van wanbeleid maar slechts van onjuist beleid) duiden m.i. niet op zo’n eis. In de wetsgeschiedenis komt de ernst van de fout ook niet als een verzwaring van het aansprakelijkheidscriterium ter sprake . Bovendien vloeit ook uit het voorgaande voort dat het in wezen gaat om de bevoegdheid van de rechter om een betrokken partij te veroordelen in (een deel van) met de procedure samenhangende kosten. Ook hieruit volgt dat de mate waarin in cassatie over een dergelijke beslissing kan worden geklaagd, beperkt is . 3.2.1. Onderdeel 2 noemt het in elk geval onjuist dat de ondernemingskamer haar beslissing zou kunnen baseren op hetgeen partijen naar aanleiding van het onderzoek en naar aanleiding van overgelegde stukken over en weer aanvoeren. 3.2.2. Deze klacht bouwt voort op die van het eerste onderdeel en vindt haar weerlegging al in het hiervóór, in § 3.1.3.5., betoogde. De door de Hoge Raad geformuleerde regel dat de betrokkenen, alvorens een […]”
r.o. 3.1.4