Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 mei 1999
Enquêteverzoek door curator van failliete moeder bij failliete dochtervennootschappen
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator van een failliete holdingvennootschap verzocht een enquête bij haar eveneens failliete dochtervennootschappen. De A-G concludeert dat de curator als vertegenwoordiger van de aandeelhouder bevoegd is een enquête te verzoeken, omdat wanbeleid bij de dochters de weg opent naar aansprakelijkstelling en de aandelen in waarde kan doen stijgen. Dat dezelfde curator ook over de dochters is aangesteld, doet daaraan niet af, en voorafgaande kennisgeving van bezwaren aan zichzelf was niet nodig. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Bij de behandeling van deze klacht stel ik voorop dat de curator in het faillissement van een rechtspersoon niet bevoegd is een enquête te verzoeken met betrekking tot de desbetreffende rechtspersoon. Dat heeft de ondernemingskamer in de bestreden beschikking (3.5) – in cassatie onbestreden – beslist. In de tweede plaats kan men ervan uitgaan dat een zgn. holding vennootschap die voldoet aan de vereisten van art. 2:346, aanheft en onder b, bevoegd is te verzoeken een enquête in te stellen bij een gehele of gedeeltelijke dochtervennootschap. In de praktijk zal daaraan zelden behoefte bestaan, gezien de personele en zakelijke verwevenheid die dikwijls tussen holding en dochter bestaat, maar ik zie geen grond waarom het niet zou mogen. Ook het middel gaat er klaarblijkelijk van uit dat bevoegde (organen van) de holding van de holding (hier: Beheer) daartoe bevoegd kan zijn. Daaruit volgt niet zonder meer dat, in geval van faillissement van een holding vennootschap, de curator van de holding die bevoegdheid mag uitoefenen. Die vraag is de inzet van het eerste onderdeel. 4.1.5.2. Een vennootschap blijft ook na haar faillietverklaring voortbestaan. Haar organen behouden in beginsel hun vennootschapsrechtelijke bevoegdheden . Na het faillissement kunnen de organen geen handelingen verrichten die tot gevolg hebben dat de boedel wordt gebonden. Dit geldt ook voor het instellen van vorderingen in rechte: op zich is de vennootschap daartoe nog wel in staat, maar niet met betrekking tot […]”
r.o. 4.1.5.1
“Meent nu de curator van de holding dat bij dochtervennootschappen wanbeleid is gepleegd, dan kan het (en zal het vaak) een essentieel belang van de boedel van die holding zijn dat onderzocht wordt of inderdaad van zodanig wanbeleid sprake is geweest. Wordt immers wanbeleid vastgesteld dan opent dit de weg naar aansprakelijkheidstelling, m.n. op grond van art. 2:248 BW, door de boedel van de failliete vennootschap op degenen die hun taak verzaakt hebben. Een geslaagde actie tot schadevergoeding kan de aandelen van de desbetreffende vennootschap aanmerkelijk in waarde doen stijgen. Dat is een belang van de aandeelhouders (die dan ok het recht hebben instelling van een enquête te verzoeken). Dat geldt ook indien de aandelen door een holding vennootschap gehouden worden en evenzeer indien die holding vennootschap in staat van faillissement verkeert. 4.1.5.6. Projecteert men dit op de onderhavige casus, dan geldt het volgende. Indien door middel van een enquête bij de dochters wordt vastgesteld dat bij die dochters wanbeleid is gepleegd, dan opent dat de weg naar “doorbraak”-vorderingen op grond van art. 2:248 (of van onrechtmatige daad). Hebben zulke vorderingen succes, dan stijgen de aandelen die Beheer houdt in waarde, hetgeen betekent dat deze gang van zaken de boedel van Beheer (en daarmee de crediteuren van de holding) ten goede komt. Door een beslissing tot een enquête bij de dochters uit te lokken dient de curator van beheer dus de belangen van de boedel van die laatste […]”
r.o. 4.1.5.5
“Dat diezelfde curator tevens curator in het faillissement van de dochters is – in welke hoedanigheid hij geen enquête bij die dochters kan verzoeken – staat aan zijn bevoegdheid als curator in het faillissement van de moeder niet in de weg (vgl. hiervóór, § 4.1.3.). 4.1.5.8. de argumenten ten gunste de litigieuze bevoegdheid, genoemd in § 4.1.5.4 t/m 4.1.5.6. acht ik sterker dan de in § 4.1.5.2. en 4.1.5.3. genoemde tegenargumenten. Anders gezegd: de opvatting van de ondernemingskamer komen mij sterker voor dan die van het middel, al zijn deze laatste stelling pleitbaar. Daar komt nog het volgende bij. Wanneer in een geval als het onderhavige de bevoegdheid als aandeelhouder van de dochtervennootschappen een enquête uit te lokken, ook na het faillissement van de moeder uitsluitend bij de organen (m.n.) het bestuur van de moeder zou zijn gebleven, dan zou namens de aandeelhouders geen enquête zijn verzocht. Daarvoor was de verwevenheid tussen moeder en dochters (zoals in kleine concerns dikwijls het geval is) te sterk. Deze omstandigheid kan de ruime opvatting die de ondernemingskamer huldigt, hebben ingegeven. “Wanneer de OK wanbeleid ruikt pleegt zij soepel te zijn ten aanzien van de bevoegdheid tot het indienen van het verzoek.” Dat kan men verklaren uit de grote belangen, soms ook het algemeen belang, die met het houden van een enquête gediend kunnen zijn. 4.1.5.9. Zo lang de ondernemingskamer bij het voeren van het aangegeven beleid niet van een onjuiste rechtsopvatting […]”
r.o. 4.1.5.7