← Week 12

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 22 maart 2000

Jaarrekeningprocedure: eisen aan voorzieningen en toetsing door de OK

  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een jaarrekeningprocedure vordert de weduwe van een overleden bestuurder van een moedervennootschap bij de OK dat een dochtervennootschap haar jaarrekening 1995 aanpast door een voorziening voor bijzondere risico's op internationale projecten te laten vrijvallen, omdat zij daardoor recht zou hebben op een hoger winstaandeel. De OK wijst de vorderingen af. De A-G beoordeelt de eisen van artikel 2:374 lid 1 BW: de voorziening vereist een redelijke mate van zekerheid dat de verplichting of het verlies zich voordoet, en de omvang moet verantwoord geschat zijn. Het oordeel van de OK is niet toereikend gemotiveerd. De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing; het incidentele beroep over de belanghebbende-status faalt.

Kernoverwegingen

“Het komt mij voor dat Hoogendoorn terecht betoogt dat de eis van waarschijnlijkheid moet worden gesteld. Zijn zienswijze lijkt mij voldoende grond te vinden in art. 20 van de Vierde richtlijn, waarin de eis van waarschijnlijkheid wel met zoveel woorden voorkomt. Hij vloeit voort uit het wezenskenmerk van de balans dat zij de grootte van het vermogen van de onderneming getrouw weergeeft. Klaarblijkelijk wordt dit laatste onderschreven door IAS 37, welke in par. 23 o.m. inhoudt: “For a liability to qualify for recognition there must be (…) also the probability of an outflow of resources (…).8 5.3. Hoogendoorn vult de eis van waarschijnlijkheid zo in, dat een kans van 50% of meer moet bestaan dat een uitstroom van middelen zal plaatsvinden of dat een verlies gerealiseerd zal worden. Met deze benadering heb ik echter moeite. In veel gevallen is een verantwoorde kansbepaling op statistische grondslag niet mogelijk. In die gevallen is het noemen van een kanspercentage weinig meer dan het geven van een persoonlijke indruk, met een (valse) schijn van exactheid. 5.4. Bij de vorming van voorzieningen in de fiscale balans wordt van oudsher een voorwaarde gesteld die qua functie overeenkomt met de hiervoor bedoelde eis van waarschijnlijkheid. Afgezien van andere voorwaarden kan volgens vaste jurisprudentie een voorziening voor onzekere, toekomstige verplichtingen alleen in de fiscale balans worden opgevoerd, indien op de balansdatum tenminste een “behoorlijke kans” bestaat dat de […]”

r.o. 5.2

“Volgens Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, dertiende druk, 1999, betekent “waarschijnlijk”: “naar als waar is aan te nemen, zoals men mag veronderstellen (iets sterker dan vermoedelijk)”. Dit komt overeen met de omschrijving die IAS 37 geeft van de door hem verlangde “probability”: “For the purpose of this Standard, an outflow of resources or other event is regarded as probable if the event is more likely than not to occur, i.e. the probability that the event will occur is greater than the probability that it will not.” en lijkt mij enigszins strenger te zijn dan “een redelijke mate van zekerheid”. Voor de voorziening in de jaarrekening zou aldus een zwaardere eis gelden dan voor de voorziening in de fiscale balans. Maar het verschil in gradatie is gering. In aanmerking genomen dat het in beide gevallen gaat om betrekkelijk globale aanduidingen van waar de lat behoort te liggen, en concretere maatstaven niet zijn aan te geven, geef ik er de voorkeur aan “waarschijnlijk” hier eveneens te preciseren tot “een redelijke mate van zekerheid”. Ten behoeve van de jaarrekening en ten behoeve van de fiscale balans kan dan op dit punt met hetzelfde criterium worden gewerkt. 6. De kwantificering 6.1. Art. 2 : 372, lid 1, BW stelt als voorwaarde voor het opnemen in de balans van een voorziening als bedoeld in de letters a en b, dat de omvang van de betreffende verplichtingen of verliezen redelijkerwijs te schatten is. Valt de omvang van de verplichtingen of verliezen niet […]”

r.o. 5.9

“De Ondernemingskamer moet bij haar onderzoek nagaan of de jaarrekening waartegen bezwaren zijn ingebracht niet is opgemaakt met miskenning van de maatstaven gesteld bij of krachtens Titel 9 van Boek 2 BW, dan wel met overschrijding van de grenzen der redelijkheid. Dat een dergelijke toetsing plaatsvindt, en een reële inhoud heeft, komt mij alleszins wenselijk voor, zeker als het om voorzieningen gaat. Zie de citaten opgenomen onder 1.2. en 1.3. hiervoor. 7. De voorziening van Van Oord ACZ nader beschouwd 7.1. Op de balans per 31 december 1995 van Van Oord ACZ komt een (verzamel)post “Voorzieningen” voor van f 49.201.879. De toelichting in de jaarrekening vermeldt dat voorzieningen zijn opgenomen tegen nominale waarde, met uitzondering van de pensioenverplichtingen, welke op de contante waarde zijn gesteld.11 7.2. De toelichting op de balans geeft een specificatie van de voorzieningen.12 Daaruit blijkt dat de balanspost voor f 20.000.000 bestaat uit de “Voorziening bijzondere risico’s Internat. Projecten”. Een uitleg van de aard en de wijze van berekening van laatstbedoelde voorziening treft men in de jaarrekening niet aan. 7.3. Het jaarverslag 1995 van Van Oord Groep N.V., de topvennootschap van het concern, bevat een geconsolideerde balans en een geconsolideerde winst- en verliesrekening. In de geconsolideerde balans is eveneens een “Voorziening bijzondere risico’s internationale projecten” van f 20.000.000 opgenomen. De toelichting op de geconsolideerde balans zegt slechts […]”

r.o. 6.7

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2000:AA5256
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
22 maart 2000
Datum publicatie
15 november 2002
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:374 BW, 2:362 BW
Thema
Jaarrekening
Weekoverzicht
Week 12 van 2000

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.