← Week 20

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 mei 2000

Artikel 2:207c BW en aandelenwaardering bij verdeling huwelijksgemeenschap

  • Overig Boek 2
  • Aandelenwaardering
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een zaak over de verdeling van een huwelijksgemeenschap gaat het om de waardering van aandelen in een besloten vennootschap op basis van een bod van derden. De man betoogde dat het bod in strijd was met het verbod op financiële assistentie van artikel 2:207c BW. De A-G oordeelt dat dit kapitaalbeschermingsvoorschrift losstaat van de waardering, omdat een reëel bod als waarde in het economisch verkeer kan dienen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Bij de beoordeling van deze klachten moet voorop worden gesteld dat de vraag die de rechter in deze zaak in het kader van de door de vrouw verzochte verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap had te beantwoorden niet was of de aankoop van de aandelen door de zonen van partijen uiteindelijk zou kunnen worden gerealiseerd, maar naar welke waarde de aandelen in verdeling moesten worden gebracht. 11. De rechter dient, indien hij de wijze van verdeling vaststelt of zelf de verdeling tot stand brengt, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang (art. 3:185 lid 1 BW). Hoewel de billijkheid mede bepalend kan zijn voor de vraag tegen welke waarde een goed in de verdeling wordt betrokken, dient de rechter bij zijn beslissing omtrent de waarde van het goed tot uitgangspunt te nemen de waarde van het goed in het economisch verkeer. Vgl. M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, Mon. Nieuw BW, B9, 3e dr., 1997, nrs. 27 en 29. De waarde van een goed in het economisch verkeer kan bij uitstek blijken uit het bedrag waarvoor derden bereid zijn het goed aan te kopen. Dat het Hof voor de waardebepaling van de aandelen aanknoping heeft gezocht bij het bedrag waartegen door derden een bod is gedaan op de aandelen, is daarom onjuist noch onbegrijpelijk en wordt door het middel ook niet bestreden. 12. De voorschriften van art. 2:207c BW hebben niets van doen met het waarderingsvraagstuk. Zij strekken tot kapitaalbescherming, met name met het oog op belangen […]”

r.o. 10

“De rechter dient, indien hij de wijze van verdeling vaststelt of zelf de verdeling tot stand brengt, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang (art. 3:185 lid 1 BW). Hoewel de billijkheid mede bepalend kan zijn voor de vraag tegen welke waarde een goed in de verdeling wordt betrokken, dient de rechter bij zijn beslissing omtrent de waarde van het goed tot uitgangspunt te nemen de waarde van het goed in het economisch verkeer. Vgl. M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, Mon. Nieuw BW, B9, 3e dr., 1997, nrs. 27 en 29. De waarde van een goed in het economisch verkeer kan bij uitstek blijken uit het bedrag waarvoor derden bereid zijn het goed aan te kopen. Dat het Hof voor de waardebepaling van de aandelen aanknoping heeft gezocht bij het bedrag waartegen door derden een bod is gedaan op de aandelen, is daarom onjuist noch onbegrijpelijk en wordt door het middel ook niet bestreden. 12. De voorschriften van art. 2:207c BW hebben niets van doen met het waarderingsvraagstuk. Zij strekken tot kapitaalbescherming, met name met het oog op belangen van der-den/schuldeisers. Zie over de achtergronden van art. 2:207c BW Rechtspersonen, losbl., aant. bij art. 207c (P.J. Dort-mond/J.J.M. Brood-Grapperhaus); P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 11e dr., 1998, nr. 28; P. Sanders en W. Westbroek, BV en NV, 8e dr., 1998, bew. door F.K. Buijn en P.M. Storm, blz. 69-721; Asser-Maeijer, 1994, nrs. 163-165. De vraag of het bedrag dat de zonen van […]”

r.o. 11

“De voorschriften van art. 2:207c BW hebben niets van doen met het waarderingsvraagstuk. Zij strekken tot kapitaalbescherming, met name met het oog op belangen van der-den/schuldeisers. Zie over de achtergronden van art. 2:207c BW Rechtspersonen, losbl., aant. bij art. 207c (P.J. Dort-mond/J.J.M. Brood-Grapperhaus); P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 11e dr., 1998, nr. 28; P. Sanders en W. Westbroek, BV en NV, 8e dr., 1998, bew. door F.K. Buijn en P.M. Storm, blz. 69-721; Asser-Maeijer, 1994, nrs. 163-165. De vraag of het bedrag dat de zonen van partijen voor het aandelenpakket bereid zijn te betalen op de door hen gewenste wijze gefinancierd kan worden zonder in strijd te komen met de voorschriften van art. 2:207c BW, staat derhalve los van de vraag of (de hoogte van) het door hen uitgebrachte bod als reëel kan worden aangemerkt. Dat dit laatste het geval is, heeft het Hof - onbestreden in cassatie - vastgesteld (zie het slot van r.o. 2). Hiervan uitgaande kon het Hof het door de zonen uitgebrachte bod tot maatstaf nemen voor de bepaling van de waarde waarvoor het aandelenpakket in de verdeling wordt betrokken. Daaraan kan de beweerde onjuistheid van 's Hofs oordelen omtrent de verhouding tussen het eerste en het tweede lid van art. 2:207c BW en omtrent de stelplicht van de man in dat verband, niet afdoen. Hierop stuit het middel in zijn beide onderdelen af. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,”

r.o. 12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2000:AA5867
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
19 mei 2000
Datum publicatie
13 augustus 2001
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:207c BW, 3:185 BW
Thema
Overig Boek 2, Aandelenwaardering
Weekoverzicht
Week 20 van 2000

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.