Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 oktober 2000
Conclusie: vereenzelviging van twee vennootschappen bij beslag door belastingontvanger
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie bespreekt de A-G de vereenzelviging van twee vennootschappen in het kader van beslagen van de belastingontvanger. Een vennootschap die de activiteiten van een failliete vennootschap voortzette, wilde de beslagen opgeheven zien. Volgens de A-G is vereenzelviging een grond voor doorbraak van aansprakelijkheid (artikel 2:5, 2:64 en 2:175 BW) en heeft het hof op grond van de vastgestelde omstandigheden geen onjuiste rechtsopvatting gehanteerd. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Onder vereenzelviging verstaat men het voorbijgaan aan het identiteitsverschil tussen een rechtspersoon en een andere rechtspersoon dan wel een natuurlijk persoon9. Dit voorbijgaan behoeft niet volledig te zijn. Soms volstaat het identiteitsverschil slechts ge-deeltelijk weg te denken10. 2.3.2. Uit een eerdere conclusie11 citeer ik: "Veelal wordt binnen het vraagstuk van "piercing (of "lifting") the corporate veil" een on-der--scheid gemaakt tussen vereenzelviging en doorbraak van aansprakelijkheid. Bij vereenzelviging gaat het om inbreuken op de regel dat een rechtspersoon wat het ver-mo-gensrecht betreft met een natuurlijke persoon gelijk staat (art. 2:5 BW). Doorbraak van aan-sprakelijkheid bestaat uit (andere) uitzonderingen op de, uit de eerste regel voortvloeiende, regel dat de aandeelhouder van een vennootschap niet aansprakelijk is voor verplichtin-gen van de vennootschap (artt. 2:64 en 2:175 BW). De terminologie is echter niet vast. Ik zou vereenzelviging willen zien als een grond tot doorbraak van aansprakelijkheid, met de aantekening dat vereenzelviging ook buiten de context-doorbraak betekenis heeft (...)". Ik verwijs ik naar de aldaar genoemde rechtspreek literatuur. Voorts citeer ik uit genoemde conclusie12: "Ik zou menen dat er aanleiding kan zijn tot vereenzelviging van een rechtspersoon met een andere rechtspersoon of met een natuurlijk persoon, indien misbruik gemaakt is van het identiteitsverschil en met name dan wanneer de betrokkenen zich zodanig […]”
r.o. 2.3.1
“Uit een eerdere conclusie11 citeer ik: "Veelal wordt binnen het vraagstuk van "piercing (of "lifting") the corporate veil" een on-der--scheid gemaakt tussen vereenzelviging en doorbraak van aansprakelijkheid. Bij vereenzelviging gaat het om inbreuken op de regel dat een rechtspersoon wat het ver-mo-gensrecht betreft met een natuurlijke persoon gelijk staat (art. 2:5 BW). Doorbraak van aan-sprakelijkheid bestaat uit (andere) uitzonderingen op de, uit de eerste regel voortvloeiende, regel dat de aandeelhouder van een vennootschap niet aansprakelijk is voor verplichtin-gen van de vennootschap (artt. 2:64 en 2:175 BW). De terminologie is echter niet vast. Ik zou vereenzelviging willen zien als een grond tot doorbraak van aansprakelijkheid, met de aantekening dat vereenzelviging ook buiten de context-doorbraak betekenis heeft (...)". Ik verwijs ik naar de aldaar genoemde rechtspreek literatuur. Voorts citeer ik uit genoemde conclusie12: "Ik zou menen dat er aanleiding kan zijn tot vereenzelviging van een rechtspersoon met een andere rechtspersoon of met een natuurlijk persoon, indien misbruik gemaakt is van het identiteitsverschil en met name dan wanneer de betrokkenen zich zodanig gedragen hebben dat derden zijn benadeeld doordat zij met betrekking tot het identiteitsverschil, en de con-se-quenties daarvan, in verwarring zijn gebracht. Met dat laatste doel ik op gevallen waarin de namen op elkaar lijken, beide entiteiten op hetzelfde adres zijn gevestigd, personeel bij beide in […]”
r.o. 2.3.2
“In de rechtspraak wordt, zoals eveneens bleek, juist met het oog op beslag t.b.v. ver-haal van belastingvorderingen, ver-eenzelviging van twee rechtspersonen wel eens aange-nomen, het-geen - voor een dergelijke casuspositie - steun vindt in het arrest-Krijger/Citco. 2.3.5.3. Neemt men nu in aanmerking dat het hof de aanwezigheid van een hele reeks bijzondere omstandigheden heeft vastgesteld, waarin de bodemrechter grond zou kunnen vinden vereenzelviging van Rainbow en Démarrage aan te nemen, dan lijkt mij niet vol te houden dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. 2.3.5.4. Voor zover het onderdeel klaagt dat de mogelijk geachte vereenzelviging niet past in het wettelijk systeem van overgang van in het kader van een onderneming ontstane schul-den op een ander dan de schuldenaar, miskent het dat vereenzelviging niet een vorm van overgang is. Voor zover het onderdeel veronderstelt dat het hof zou hebben aangenomen dat sprake is van een eigen belastingschuld van Rainbow, is het van feitelijke grondslag verstoken. Een der-ge-lijke opvatting is niet in het bestreden arrest (noch in de stellingen van de ontvanger) te lezen. 2.3.6. Daarop stuit zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht van het onderdeel af. Het on-derdeel is vergeefs voorgesteld. 2.4.1. Onderdeel 3, sub a en b, bevat motiveringsklachten. Deze stuiten af op het feit dat het mid-del uitgaat van hogere motiveringseisen dan in kort geding, zeker in een kort geding tot op-hef-fing van een beslag, […]”
r.o. 2.3.5.2