Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 maart 2001
Conclusie A-G: uitkoop minderheidsaandeelhouder, emissiebesluiten en beslaglegger-tussenkomende partij
- Uitkoop
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een meerderheidsaandeelhouder vorderde bij de OK uitkoop van de minderheidsaandeelhouder op grond van artikel 2:201a BW. Een beslaglegger op certificaten van de minderheidsaandeelhouder kwam tussen en bestreed onder meer de emissiebesluiten. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, onder meer omdat geen vernietiging van de emissiebesluiten was gevorderd en de afwijzingsgrond van artikel 2:201a lid 4 BW geen betrekking heeft op bijzondere winstrechten.
Kernoverwegingen
“Zoals de OK terecht opmerkt, is (in de onderhavige procedure) geen vernietiging gevorderd van de emissiebesluiten. [Eiser] heeft zich immers steeds op het standpunt gesteld dat die besluiten nietig zijn(22). Reeds om die reden kan van vernietiging o.g.v. art. 2:11 (oud) BW geen sprake zijn. 3.2.5.2. Bovendien hebben zowel [verweerster 2] als VWB een beroep gedaan op de verjaringsregel van art. 2:11, lid 3, (oud) BW(23). De uitzondering op de verjaringsregel, in de laatste zin van art. 2:11, lid 3 (oud) BW is hier niet van toepassing; het gaat in de onderhavige procedure immers niet om een vordering van de vennootschap (die is in deze procedure niet eens partij), en bovendien niet om een vordering die tegen [eiser] is ingesteld. 3.2.5.3. De vraag of [eiser] als belanghebbende in de zin van art. 2:11 (oud) BW kan worden aangemerkt(24) kan buiten beschouwing blijven. Hetzelfde geldt voor de vraag of [eiser] in de onderhavige procedure, waarbij de vennootschap geen partij is, vernietiging van de emissiebesluiten kan vorderen(25). 3.2.5.4. Vervolgens noem ik nog de stelling van [eiser] dat de emissiebesluiten, wegens onrechtmatigheid i.v.m. het aangekondigde beslag op de certificaten, nietig zijn. Mochten de besluiten nietig zijn, dan moet de rechter immers ambtshalve, ook zonder dat er een beroep op wordt gedaan, van de nietigheid uitgaan. Bovendien kan bij nietigheid geen sprake zijn van verjaring(26). 3.2.5.5. Hoewel art. 2:11 (oud) BW uitsluitend over vernietigbaarheid van […]”
r.o. 3.2.5.1
“Hoewel art. 2:11 (oud) BW uitsluitend over vernietigbaarheid van besluiten sprak, werd aangenomen dat bepaalde in dit artikel genoemde gronden niet tot vernietigbaarheid, doch tot nietigheid van besluiten leidden(27). De grond waarop bij het beroep op onrechtmatigheid van de aandelenemissies i.v.m. het aangekondigde beslag een beroep kon worden gedaan, was de goede trouw. De toetsing aan de goede trouw van art. 2:11, lid 1, onder c (oud) BW, had een marginaal karakter had. De rechter diende te toetsten of het orgaan in redelijkheid tot het besluit had kunnen komen. In dit licht is het oordeel van het hof(28), dat er op neerkomt dat niet onrechtmatig, en dus niet in strijd met de goede trouw, is gehandeld omdat het beslag pas na de emissiebelsuiten is gelegd, m.i. niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd. 3.2.6. Mocht de Hoge Raad aanleiding zien middel I te behandelen, dan zou het oordeel daarover m.i. moeten zijn dat het faalt. 3.3.1. Middel II klaagt dat de OK manifeste feiten heeft miskend en er geen overweging aan heeft gewijd. Door de emissie van aandelen zou het te scheiden en delen vermogen volledig zijn uitgehold en toewijzing en uitvoering van de uitkoopvordering zou het strafbare feit van onttrekking aan het beslag opleveren, aldus dit middel. Als ik het goed begrijp, bevat het middel twee klachten. De eerste klacht heeft betrekking op de emissiebesluiten, de tweede op toewijzing van de uitkoopvordering. 3.3.2. Noch in de gedingstukken in feitelijke aanleg, noch in […]”
r.o. 3.2.5.5
“Gezien dit alles meen ik dat de afwijzingsgrond geen betrekking heeft op bijzondere winstrechten. Wat betreft de zeggenschapsrechten met het oog op het handhaven van zulke winstrechten ligt dit wellicht iets anders, maar uit het in § 3.4.3.1. gegeven citaat uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat zulke zeggenschapsrechten niet onder de afwijzingsgrond van art. 2:201a, lid 4, BW vallen. 3.4.4. Daarop zou het middel, indien het aan de orde zou komen, afstuiten. 3.5.1. In ro. 8.5. van het arrest van 22 augustus 1996 heeft de OK vermeld dat [verweerster 2] had aangevoerd dat VWB afstand had gedaan van haar recht de vordering tot uitkoop in te stellen. In ro. 8.6. heeft de OK deze stelling als te vaag, gepasseerd. 3.5.2. Middel IV acht dit oordeel van de OK onbegrijpelijk, zonder overigens meer motivering te geven dan dat de OK de afstand van het recht niet heeft onderkend. 3.5.3. De OK heeft deze stelling, als te vaag, gepasseerd. Dit oordeel berust op uitleg van de gedingstukken en ik kan niet ontdekken waarom het onbegrijpelijk zou zijn(37). Overigens heeft het middel betrekking op een verweer dat in feitelijke aanleg alleen [verweerster 2], maar [eiser] niet heeft gevoerd. 3.5.4. Ook dit middel treft derhalve geen doel. 3.6.1. Middel V richt zich kennelijk tegen ro. 7.4 van het arrest van 22 augustus 1996. Het klaagt dat de OK in haar "oordeelsvelling" alleen die weren van interveniënt [eiser] heeft betrokken die rechtstreeks verband hielden met het doel van de interventie […]”
r.o. 3.4.3.3