← Week 44

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 2 november 2001

Ontbinding van stichtingen wegens ontbrekend vermogen en doel; belang van bestuurder in cassatie

  • Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een gemeente en een stichting verzoeken ontbinding van drie stichtingen wegens ontbrekend vermogen en doel (artikel 2:301 BW). De bestuurder, die van verduistering van subsidiegelden wordt beschuldigd, gaat in cassatie tegen de ontbinding. De A-G concludeert tot niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van een te respecteren belang, en acht de klachten ten overvloede ongegrond.

Kernoverwegingen

“Zoals vermeld onder 1.10 heeft het Hof aangenomen dat [verzoeker], volgens SSCW en de Gemeente, gemanipuleerd heeft met subsidiegelden. Omdat het Hof op die stelling voortbouwt, zal moeten worden aangenomen dat ook het Hof zich tot die stelling heeft bekeerd. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden. 2.2 In prima heeft [verzoeker] er zelf op gewezen dat zijn handelwijze "misschien zelfs" "riekte naar verduistering, verrijking en wat dies meer zij" en dat deze "op z'n zachtst gezegd minder gelukkig" was. 2.3 M.i. kan blijven rusten of denkbaar is dat de stichtingen (die zelf hebben berust in hun - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde(1) - ontbinding) "in het algemeen" ontbonden zijn met uitzondering van de verhouding tussen hen en [verzoeker] (zoals hij blijkbaar wil betogen).(2) 2.4 Hoe dit zij, het beroep loopt reeds stuk op de hiervoor onder 2.1 gememoreerde rechtsoverweging; zo nodig in samenhang met hetgeen onder 2.2 is weergegeven. [verzoeker] heeft er, tegen die achtergrond bezien, m.i. geen rechtens te respecteren belang bij om zich te verzetten tegen de ontbinding van de stichting. Hij heeft er bovendien geen belang bij in de zin van art. 429h lid 1 Rv. Veel meer dan een soort emotioneel belang is niet uit de verf gekomen. Dat is evenwel onvoldoende.(3) 2.5 Dat alles klemt eens te meer tegen de achtergrond van zijn eigen stellingen, hiervoor onder 1.6 weergegeven. Daaruit blijkt immers dat geen sprake is van een concreet plan en dat minstgenomen aan gerede twijfel […]”

r.o. 2.1

“Hoe dit zij, het beroep loopt reeds stuk op de hiervoor onder 2.1 gememoreerde rechtsoverweging; zo nodig in samenhang met hetgeen onder 2.2 is weergegeven. [verzoeker] heeft er, tegen die achtergrond bezien, m.i. geen rechtens te respecteren belang bij om zich te verzetten tegen de ontbinding van de stichting. Hij heeft er bovendien geen belang bij in de zin van art. 429h lid 1 Rv. Veel meer dan een soort emotioneel belang is niet uit de verf gekomen. Dat is evenwel onvoldoende.(3) 2.5 Dat alles klemt eens te meer tegen de achtergrond van zijn eigen stellingen, hiervoor onder 1.6 weergegeven. Daaruit blijkt immers dat geen sprake is van een concreet plan en dat minstgenomen aan gerede twijfel onderhevig is of [verzoeker] wel in staat is om enige rol in de stichtingen te blijven spelen. Daarom heeft hij ook feitelijk geen belang bij zijn beroep. 2.6 In elk geval bekoort een betoog van een bestuurder ener stichting dat er - naar de kern genomen - op neer komt te bewerkstelligen dat de overheid beweerdelijk achterstallige subsidiegelden moet storten in een stichting niet in het licht van de - door het Hof klaarblijkelijk aangenomen - manipulaties. Uitgaande van deze manipulaties spreekt het niet erg aan de kans te lopen dat gemeenschapsgelden daarvan opnieuw voorwerp zouden kunnen worden. 2.7 Ten overvloede ga ik nog zeer kort in op de klachten die onder 2.2 - 2.5 worden verwoord. 2.8 Onderdeel 2.2 richt zich tegen rov. 5 met de klacht dat het Hof een zelfstandig onderzoek had […]”

r.o. 2.4

“Dat alles klemt eens te meer tegen de achtergrond van zijn eigen stellingen, hiervoor onder 1.6 weergegeven. Daaruit blijkt immers dat geen sprake is van een concreet plan en dat minstgenomen aan gerede twijfel onderhevig is of [verzoeker] wel in staat is om enige rol in de stichtingen te blijven spelen. Daarom heeft hij ook feitelijk geen belang bij zijn beroep. 2.6 In elk geval bekoort een betoog van een bestuurder ener stichting dat er - naar de kern genomen - op neer komt te bewerkstelligen dat de overheid beweerdelijk achterstallige subsidiegelden moet storten in een stichting niet in het licht van de - door het Hof klaarblijkelijk aangenomen - manipulaties. Uitgaande van deze manipulaties spreekt het niet erg aan de kans te lopen dat gemeenschapsgelden daarvan opnieuw voorwerp zouden kunnen worden. 2.7 Ten overvloede ga ik nog zeer kort in op de klachten die onder 2.2 - 2.5 worden verwoord. 2.8 Onderdeel 2.2 richt zich tegen rov. 5 met de klacht dat het Hof een zelfstandig onderzoek had moeten doen of de mogelijkheid om alsnog voldoende vermogen te vergaren in hoge mate onwaarschijnlijk is. 2.9 De klacht faalt omdat het Hof in de aangevallen rechtsoverweging heeft geen blijk gegeven van een onjuiste toepassing van art. 2:301 lid 1 sub a BW. Het Hof was, gezien de inhoud van de gedingstukken en met name ook hetgeen onder 1.6 is weergegeven (waarin [verzoeker] niet anders dan vage stellingen heeft geponeerd) niet gehouden tot een nader onderzoek naar de mogelijkheid voor […]”

r.o. 2.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2001:AD5016
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
2 november 2001
Datum publicatie
5 november 2001
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:301 BW, 2:298 BW
Thema
Ontbinding, vereffening en turboliquidatie, Vereniging, stichting en coöperatie
Weekoverzicht
Week 44 van 2001

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.