← Week 42

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 oktober 2001

Stichting: vertegenwoordiging, statutaire machtiging B&W en nietigheid bestuursbesluit

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een stichting verzet zich in cassatie tegen nakoming van een overeenkomst tot overdracht van een erfpachtperceel, op grond van een bestuursbesluit dat door de directeur-bestuurder was meegedeeld. De A-G bespreekt de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het stichtingsbestuur (artikel 2:292 BW) en de gevolgen van een ontbrekende statutaire machtiging van de gemeente (artikel 2:14 en 2:291 BW). Zij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“M.i. gaat het onderdeel hiermee uit van een onjuiste lezing van het arrest. In het oordeel van het hof ligt besloten het oordeel dat [betrokkene E] - die blijkens de statuten en de inschrijving in het stichtingenregister niet alleen functionaris (directeur) van het UMF was maar tevens lid van het bestuur - bevoegd was namens het bestuur (de inhoud van) het besluit aan [verweerster] mede te delen. Mededeling van dit besluit is schriftelijk gedaan. Waar het besluit valt aan te merken als een aanvaarding namens de stichting van het aanbod van [verweerster] het (recht van erfpacht van het) perceel te kopen, is tussen partijen wilsovereenstemming tot stand gekomen op het moment dat de schriftelijke mededeling van het besluit [verweerster] bereikte10. In de visie van het hof heeft [betrokkene E] aldus kennelijk gehandeld als gevolmachtigde en diens mededeling(en) moet(en) daarmee worden gekenmerkt als een aanvaarding namens het UMF van het aanbod van [verweerster] in haar brief van 8 augustus 199311. 2.14 Het aldus gelezen oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Een bestuurder kan gevolmachtigde zijn voor rechtshandelingen die buiten zijn - individuele, statutaire - vertegenwoordigingsmacht liggen. De algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur brengt mee immers dat het bestuur de bevoegdheid heeft namens de rechtspersoon volmacht te verlenen aan een bestuurder. Een dergelijke volmacht kan overigens ook worden verleend aan een […]”

r.o. 2.13

“Het aldus gelezen oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Een bestuurder kan gevolmachtigde zijn voor rechtshandelingen die buiten zijn - individuele, statutaire - vertegenwoordigingsmacht liggen. De algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur brengt mee immers dat het bestuur de bevoegdheid heeft namens de rechtspersoon volmacht te verlenen aan een bestuurder. Een dergelijke volmacht kan overigens ook worden verleend aan een niet-bestuurder. Gaat het om een beperkte, niet-voortdurende volmacht, dan behoeft deze ook niet te worden ingeschreven in het stichtingenregister12. Of het oordeel van het hof dat volmacht aan [betrokkene E] is verleend tot het mededelen van het bestuursbesluit begrijpelijk is dan wel nadere motivering behoefde, wordt door het middel, nu dat als gezegd uitgaat van een andere lezing, niet aan de orde gesteld. Onderdeel 4 2.15 Onderdeel 4 is opgebouwd uit twee subonderdelen die beide zijn gericht tegen hetgeen het hof heeft overwogen in rechtsoverweging 4.12. 2.16 UMF heeft in de feitelijke instanties een beroep gedaan op art. 11 aanhef en onder d van haar statuten, waarin is bepaald dat het bestuur voor het vervreemden, ruilen of bezwaren van onroerende goederen, machtiging van B&W van de gemeente Utrecht behoeft. UMF heeft gesteld dat deze machtiging ontbreekt. In rechtsoverweging 4.12 heeft het hof in verband hiermee het volgende overwogen: "Voor zover UMF - ten slotte - als verweer heeft willen aanvoeren dat […]”

r.o. 2.14

“Dit laatste moet worden gezien in samenhang met het derde lid van art. 2:292 BW, dat bepaalt dat de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid die art. 2:292 lid 1 BW aan het bestuur verleent en de vertegenwoordigingsbevoegdheid die ingevolge art. 2:292 lid 2 BW door de statuten aan een of meer individuele bestuurders kan worden verleend, onbeperkt en onvoorwaardelijk is, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Dit moet aldus worden verstaan dat statutaire beperkingen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid in beginsel slechts intern werken, tenzij het gaat om beperkingen die uit de wet voortvloeien, dat wil zeggen beperkingen die wettelijk zijn toegelaten of voorgeschreven. Een dergelijke uit de wet voortvloeiende beperking is gelegen in het bepaalde van art. 2:291 lid 2 BW13. 2.20 Schending van de de statutaire beperking van het nemen van besluiten heeft op grond van art. 2:14 lid 1 BW tot gevolg dat het desbetreffende besluit nietig is, alsmede dat het bestuur bij de op dat besluit gebaseerde rechtshandeling op grond van art. 2:292 lid 3 BW niet vertegenwoordigingsbevoegd was. Een beroep hierop kan ingevolge art. 2:292 lid 3 BW alleen worden gedaan door de stichting. Van belang is evenwel dat in het geval de statuten voor het nemen van een besluit de machtiging of toestemming van een ander - een ander orgaan van de rechtspersoon of een buitenstaander - voorschrijven, schending van dit voorschrift alleen dan tot nietigheid leidt indien het gaat om machtiging of […]”

r.o. 2.19

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2001:ZC3647
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
19 oktober 2001
Datum publicatie
19 oktober 2001
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:14 BW, 2:291 BW, 2:292 BW, 3:58 BW, 3:59 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Aangesproken
["n.v.t."][0]
Weekoverzicht
Week 42 van 2001

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.