← Week 28

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 12 juli 2002

Bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor onttrekken verpande auto aan stil pandrecht leasemaatschappij

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een leasemaatschappij sprak de bestuurder en enig aandeelhouder van een failliete vennootschap persoonlijk aan, omdat hij een verpande auto had verkocht en zo het pandrecht had ondermijnd. Volgens de A-G is het oordeel van het hof dat het verwijt voldoende ernstig is voor persoonlijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad juist en begrijpelijk. Het hof had wel moeten ingaan op verweren over de omvang van de schade. De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing.

Kernoverwegingen

“In rechtsoverweging 5.4 heeft het hof, naar het middel stelt: terecht, de regel van het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000, NJ 2000, 295 m.nt. Ma(5) voorop gesteld. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als een bestuurder wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent, sprake kan zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van onrechtmatig handelen (vgl. HR 31 januari 1958, NJ 1958, 251), maar dat het van de concrete omstandigheden van het geval afhangt of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden 2.4 Volgens het middel heeft het hof die regel in rechtsoverweging 5.5 niet, althans niet juist, althans onbegrijpelijk toegepast. Het hof zou ten onrechte uitsluitend (uitdrukkelijk) het geringe tijdsverloop tussen de gestelde verkoop en levering enerzijds en de gebleken betalingsproblemen anderzijds, voldoende grond hebben geacht om te komen tot het oordeel dat sprake is van een voldoende ernstig verwijt. 2.5 Het hof heeft allereerst overwogen dat [B] B.V. jegens IDM toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis en dat [eiser] als bestuurder van de vennootschap deze wanprestatie heeft bewerkstelligd. Aldus heeft het hof het uitgangspunt van het arrest van 18 februari 2000 gehanteerd, zodat […]”

r.o. 2.3

“Het hof heeft allereerst overwogen dat [B] B.V. jegens IDM toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis en dat [eiser] als bestuurder van de vennootschap deze wanprestatie heeft bewerkstelligd. Aldus heeft het hof het uitgangspunt van het arrest van 18 februari 2000 gehanteerd, zodat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist. 2.6 Vervolgens heeft het hof overwogen dat het geringe tijdsverloop tussen de gestelde(6) verkoop en de levering van de Jeep op 15 juli 1993 en de nadien gebleken betalingsproblemen van de vennootschap - begin december 1993 heeft de fiscus bodembeslag gelegd terwijl op 28 januari 1994 surséance van betaling is verleend en op 9 februari 1994 het faillissement is uitgesproken - een dusdanig ernstig verwijt opleveren dat [eiser] daarvoor persoonlijk aansprakelijk is te houden. 2.7 Daarmee heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de door [eiser] bewerkstelligde wanprestatie van de vennootschap jegens IDM, in het licht van het feit dat de vennootschap naar een faillissement afgleed en [eiser] dat als enig aandeelhouder en bestuurder op het moment van de door hem gestelde verkoop van de Jeep moet hebben geweten, een dusdanig ernstig verwijt oplevert aan het adres van [eiser], dat hij persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor de door het handelen van de vennootschap bij IDM veroorzaakte schade. Dat [eiser] een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van de verkoop van de Jeep aan zijn echtgenote en daarmee het onttrekken van […]”

r.o. 2.5

“Daarmee heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de door [eiser] bewerkstelligde wanprestatie van de vennootschap jegens IDM, in het licht van het feit dat de vennootschap naar een faillissement afgleed en [eiser] dat als enig aandeelhouder en bestuurder op het moment van de door hem gestelde verkoop van de Jeep moet hebben geweten, een dusdanig ernstig verwijt oplevert aan het adres van [eiser], dat hij persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor de door het handelen van de vennootschap bij IDM veroorzaakte schade. Dat [eiser] een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van de verkoop van de Jeep aan zijn echtgenote en daarmee het onttrekken van de Jeep aan het stil pandrecht van IDM wordt door het hof nog gemotiveerd met het vaststaande feit dat [eiser] als directeur van de vennootschap de overeenkomst heeft ondertekend en aldus wist dat er een stil pandrecht op de Jeep rustte. 2.8 Het oordeel van het hof onder 5.5 geeft zo bezien niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve. 2.9 Het tweede middel betoogt dat het hof een aantal door [eiser] gevoerde en/althans gehandhaafde verweren, waarvan de juistheid tot een ander oordeel omtrent zijn aansprakelijkheid zou moeten leiden, onbesproken heeft gelaten zodat het hof daarmee het recht heeft geschonden althans zijn arrest met onvoldoende redenen heeft omkleed. 2.10 Uit de in het middel genoemde verweren kan(7) worden afgeleid dat het middel bedoelt dat het hof […]”

r.o. 2.7

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2002:AE2178
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
12 juli 2002
Datum publicatie
12 juli 2002
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 28 van 2002

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.