Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 september 2002
Enquête: wanbeleid bij inbrengtransactie, kostenverhaal op commissaris, cassatieberoepen te verwerpen
- Enquêterecht
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Conclusie in een enquêtezaak over een beursvennootschap waarin de OK wanbeleid vaststelde bij een inbrengtransactie, het décharge-besluit vernietigde en de enquêtekosten verhaalde op een commissaris en bestuurders. De A-G concludeert tot verwerping van de cassatieberoepen. De OK moet bij kostenverhaal op grond van artikel 2:354 BW zelf beoordelen of sprake is van verantwoordelijkheid voor wanbeleid, en een kostenveroordeling is geen oordeel over persoonlijke aansprakelijkheid.
Kernoverwegingen
“Op grond van art. 2:354 BW kan de OK op verzoek van de rechtspersoon beslissen dat de rechtspersoon de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op (o.m.) een commissaris, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. In de beschikking inzake Text Lite(19) heeft de HR overwogen (ro. 4.4.2) dat uit deze bepaling niet mag worden afgeleid dat het gevorderde direct kan worden toegewezen indien in het verslag tot wanbeleid of verantwoordelijkheid daarvoor wordt geconcludeerd. De OK moet beslissen of inderdaad sprake is geweest van wanbeleid, waarbij zij niet aan het oordeel van de onderzoeker is gebonden. 4.4.2.2. In ro. 3.20 van de bestreden beschikking heeft de OK overwogen dat zij dient te onderzoeken of uit het verslag blijkt dat (o.m.) [verzoeker] verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid dan wel de onbevredigende gang van zaken. Vervolgens heeft de OK in ro. 3.21 (m.b.t. [verzoeker]) gemotiveerd uiteengezet waarom zij deze vraag bevestigend beantwoordt. Dat de OK zich hierbij mede op het verslag baseert, betekent niet dat zij zich gebonden acht aan het oordeel van de onderzoeker en evenmin dat zij niet tot een (voldoende gemotiveerd) eigen oordeel is gekomen. 4.4.3. Het onderdeel strandt op gebrek aan feitelijke grondslag. 4.5.1. Onderdeel 5 valt ro. 3.12 en ro. 3.21 van de bestreden beschikking aan. In ro. 3.12 heeft de OK een aantal omstandigheden opgesomd […]”
r.o. 4.4.2.1
“In ro. 3.20 van de bestreden beschikking heeft de OK overwogen dat zij dient te onderzoeken of uit het verslag blijkt dat (o.m.) [verzoeker] verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid dan wel de onbevredigende gang van zaken. Vervolgens heeft de OK in ro. 3.21 (m.b.t. [verzoeker]) gemotiveerd uiteengezet waarom zij deze vraag bevestigend beantwoordt. Dat de OK zich hierbij mede op het verslag baseert, betekent niet dat zij zich gebonden acht aan het oordeel van de onderzoeker en evenmin dat zij niet tot een (voldoende gemotiveerd) eigen oordeel is gekomen. 4.4.3. Het onderdeel strandt op gebrek aan feitelijke grondslag. 4.5.1. Onderdeel 5 valt ro. 3.12 en ro. 3.21 van de bestreden beschikking aan. In ro. 3.12 heeft de OK een aantal omstandigheden opgesomd die zij kennelijk van belang acht bij de beoordeling van het onderzoek dat in het kader van de inbrengtransactie is verricht. In ro. 3.21 is zij, i.v.m. de door De Vries Robbé o.g.v. art. 2:354 BW gevorderde kostenveroordeling, ingegaan op de vraag of [verzoeker] verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid. 4.5.2.1. Subonderdeel 5.1 brengt naar voren dat de OK in ro. 3.21 niet zelf heeft onderzocht of [verzoeker] verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid dan wel de onbevredigende gang van zaken. Het subonderdeel voert, voortbouwend op onderdeel 4, aan dat de OK blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, door te overwegen dat uit het verslag blijkt dat […]”
r.o. 4.4.2.2
“De OK heeft, niet onbegrijpelijk, in ro. 3.15 geoordeeld dat De Vries Robbé bij de transactie en beursgang de belangen van haar eigen, niet bij de transactie betrokken aandeelhouders mede in het oog moest houden. Belangen van deze aandeelhouders maken immers deel uit van de verschillende belangen die tezamen het vennootschappelijk belang vormen. Zij spelen zeker een rol bij de vraag of sprake is van wanbeleid(38). Het lag op de weg van de andere bij de transactie betrokken vennootschappen om te letten op de belangen van hun eigen aandeelhouders. 5.7.4. Op het voorgaande loopt middel 6 vast. 5.8.1. Middel 7 richt zich tegen ro. 3.16. Sprekend over het niet in acht nemen door De Vries Robbé van elementaire beginselen van zorgvuldigheid, heeft de OK kennelijk het oog op het gebrek aan voorzichtigheid bij het voorbereiden van de transactie. Gegeven de situatie, waarin BTG een groot belang had bij de transactie, terwijl het belang van De Vries Robbé niet duidelijk was, had BTG voorzichtig te werk dienen te gaan bij de instructie en voorbereiding van het onderzoek. Nu zij niet voorzichtig genoeg is geweest, is het door haar verrichte onderzoek onvoldoende geweest. Het is begrijpelijk dat de OK deze onzorgvuldigheid zwaarder aanrekent nu blijkt dat verschillende bij de transactie betrokken personen "BTG-gerelateerde" belangen hadden. 5.8.2. Onderdeel 15a bouwt voort op voorgaande klachten en deelt het lot daarvan. 5.8.3. Onderdeel 15b stuit af op afwezigheid van feitelijke […]”
r.o. 5.7.3