Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 4 oktober 2002
Enquête: verlenging door OK van commissarisbenoeming en aansprakelijkheidsverzekering commissaris
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêtezaak na gebleken wanbeleid heeft de OK de benoeming van een commissaris verlengd en bepaald dat de vennootschap de kosten van een aansprakelijkheidsverzekering voor die commissaris draagt. De A-G meent dat de OK ruime bevoegdheden heeft om andere voorzieningen te treffen dan verzocht en om de gevolgen van voorzieningen te regelen, ook met een verzekering. Omdat de OK opnieuw de bijzondere bevoegdheden van een structuurcommissaris heeft toegekend, wat de Hoge Raad eerder onjuist achtte, concludeert zij tot vernietiging en terugwijzing.
Kernoverwegingen
“Op grond van bovenstaande ben ik van mening dat het de Ondernemingskamer vrijstond - afgezien van hetgeen ik hierna opmerk ten aanzien van de vierde klacht van het onderdeel - de voorzieningen die zij bij beschikking van 30 november 2000 had getroffen, te verlengen, hoewel zij daarmee andere dan door [verzoekster] verzochte voorzieningen trof. Klacht 2 treft derhalve geen doel. 3.7 Gelet op de hiervoor vermelde jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent de bevoegdheden van de Ondernemingskamer en de literatuur dienden [verweerders] erop bedacht te zijn dat de Ondernemingskamer andere voorzieningen kon treffen dan die [verzoekster] had verzocht. Van een verrassingsbeslissing is derhalve geen sprake. Op grond hiervan faalt ook klacht 3. 3.8 Bij deze stand van zaken heeft [verzoekster] geen belang bij behandeling van haar eerste klacht. De bevoegdheid van de Ondernemingskamer om andere voorzieningen te treffen dan waarom was verzocht, geldt evenzeer wanneer zij een onbegrijpelijke lezing van het verzoekschrift daaraan vooraf heeft doen gaan. 3.9 Overigens komt mij de klacht gegrond voor. Hoewel de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de Ondernemingskamer als rechter die over de feiten oordeelt, moet deze uitleg wel begrijpelijk zijn. De gedingstukken laten geen andere uitleg toe dan dat [verzoekster] heeft verzocht om verlenging van de aanstelling van commissaris [betrokkene 2], zij het dat aan hem gewone bevoegdheden zouden worden toegekend omdat aan ruimere […]”
r.o. 3.6
“De vierde klacht van het onderdeel is gegrond. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 1 maart 2002(14) geoordeeld dat aan de commissaris die op grond van art. 2:356 aanhef en letter c BW wordt aangesteld, geen andere bevoegdheden kunnen worden toegekend dat de wet toelaat. Aan een door de Ondernemingskamer aangestelde commissaris bij een vennootschap die niet valt onder afdeling 6, titel 5 van boek 2 BW kan niet de bijzondere bevoegdheden van die afdeling worden toegekend. Op die grond heeft de Hoge Raad de beschikking van de Ondernemingskamer vernietigd. De thans bestreden beschikking, waarin de geldigheidsduur van de beschikking van 30 november 2000 is verlengd en derhalve opnieuw de bevoegdheden van afdeling 6 titel 5 van boek 2 BW zijn toegekend, kan aldus evenmin in stand blijven. 3.11 Onderdeel 2 komt met twee klachten op tegen rechtsoverweging 3.5 van de beschikking, waarin de Ondernemingskamer het volgende heeft overwogen: "Teneinde te bewerkstelligen dat de voorzieningen het beoogde effect zullen kunnen hebben en meer in het bijzonder de commissaris zijn werkzaamheden onbelemmerd kan uitoefenen zal de Ondernemingskamer bepalen dat deze zich op kosten van de vennootschap kan verzekeren tegen de - gevolgen van - eventuele aansprakelijkheid als na te vermelden en dat de kosten in het eventuele geval dat hij aansprakelijk zou worden gesteld ten laste van de vennootschap komen. De Ondernemingskamer acht het treffen van de laatstgenoemde voorziening te meer noodzakelijk […]”
r.o. 3.10
“Het gegeven dat de Ondernemingskamer met alle in aanmerking komende belangen rekening mag houden, geeft de Ondernemingskamer een ruime marge. Ook de Hoge Raad heeft in de hiervoor aangehaalde beschikking uit 1987 beslist dat de bevoegdheid van de Ondernemingskamer om de gevolgen van haar voorzieningen te regelen ruim moet worden genomen. Volgens Maeijer ligt echter in de formulering van art. 2:357 lid 2 BW besloten dat het regelen van dergelijke gevolgen nooit zover mag gaan dat aan het limitatieve karakter van de opsomming van de voorzieningen in art. 356 afbreuk wordt gedaan(21). 3.24 In de literatuur wordt een aantal voorbeelden gegeven van te treffen maatregelen om de gevolgen van een voorziening te regelen. Zo kan de Ondernemingskamer het bevel geven om de administratie van een vennootschap te doen controleren door een registeraccountant of om een afvloeiingregeling te treffen voor werknemers(22). Sluijters heeft aandacht besteed aan de gevolgen van het benoemen van een tijdelijke bestuurder, commissaris of onderzoeker, meer in het bijzonder aan de aansprakelijkheid van deze personen. Zijn conclusie is dat de tijdelijk door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder onder dezelfde aansprakelijkheidsregels valt als een gewone bestuurder en dat "wellicht een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering de ergste gevolgen daarvan kan opvangen."(23). 3.25 Volgens Geerts heeft de Ondernemingskamer deze gedachte in de thans bestreden beschikking gevolgd, waarmee zijns inziens de […]”
r.o. 3.23