← Week 4

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 24 januari 2003

Enquête: wanbeleid en kostenverhaal op bestuurder bij failliete projectvennootschap

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie gaat het om een enquête bij een failliete projectvennootschap, waarbij de OK wanbeleid vaststelde en de onderzoekskosten kon worden verhaald op een aandeelhouder die enig bestuurder was. De A-G bespreekt de maatstaf voor wanbeleid en voor kostenverhaal op grond van artikel 2:354 BW, waarvoor individuele en concrete verantwoordelijkheid vereist is. Volgens de A-G heeft de OK de bestuurder terecht verantwoordelijk gehouden, onder meer voor een onredelijk voorschot en belangenverstrengeling. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“De onderdelen H tot en met L richten zich tegen het oordeel dat van wanbeleid sprake is geweest. Voor het begrip wanbeleid is van belang hetgeen de Hoge Raad in zijn beschikking met betrekking tot de Ogem-enquête(18) heeft overwogen: "7.2. Blijkens de ontstaansgeschiedenis van art. 2:355 BW heeft de wetgever het niet nodig geacht in de wet een omschrijving van het begrip "wanbeleid" op te nemen, omdat het wordt gebruikt in een betekenis die niet van het spraakgebruik afwijkt en de rechter toch in elk afzonderlijk geval zal moeten beslissen of de gemaakte beleidsfouten zo ernstig zijn dat van wanbeleid moet worden gesproken (m.v.a. p. 14, Tweede Kamer 1968-1969, 9595, 9596, nr. 6). Hieruit volgt dat niet iedere beleidsfout als wanbeleid kan worden aangemerkt, maar dat de fout van voldoende ernst moet zijn om deze kwalificatie te rechtvaardigen. Voorts blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van de bepaling dat naar het oordeel van de wetgever een incidentele beleidsfout niet als wanbeleid kan worden beschouwd (m.v.a., t.a.p.). 7.3. De OK heeft, voor zover in cassatie van belang, met betrekking tot de onderwerpen, terzake waarvan zij tot de slotsom is gekomen dat er sprake is geweest van wanbeleid bij Ogem, onderzocht of Ogem te dier zake onzorgvuldig dan wel laakbaar heeft gehandeld, en heeft, indien zij deze vraag bevestigend beantwoordde, vervolgens onderzocht of dit onzorgvuldige of laakbare handelen van een zo ernstig karakter is dat moet worden geoordeeld dat Ogem te dier […]”

r.o. 2.18

“Ingevolge artikel 2:350 lid 3 BW betaalt de rechtspersoon de kosten van het onderzoek. Artikel 2:354 BW biedt de vennootschap - of de curator in geval van haar faillissement - echter de mogelijkheid de Ondernemingskamer te verzoeken dat zij de kosten kan verhalen op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. De curator heeft de Ondernemingskamer verzocht [verzoekster] en RCB in de kosten te veroordelen. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 4 juni 1997 inzake Text Lite(28) het volgende overwogen: "4.1.2. Uit het bepaalde in de artt. 2:355 jo 2:356 en 2:354 BW vloeit rechtstreeks voort dat in de in die bepalingen bedoelde situaties de Ondernemingskamer bevoegd is voorzieningen te treffen ten laste van individuele bestuurders en commissarissen en te beslissen dat kosten verhaald kunnen worden op (een of meer van) hen. De uitoefening van die bevoegdheden zal gemotiveerd moeten worden, hetgeen meebrengt dat, naar omstandigheden, de Ondernemingskamer zal moeten oordelen omtrent het functioneren van individuele bestuurders en commissarissen. 4.1.3. In het onderhavige geval heeft de Ondernemingskamer allereerst geoordeeld dat bij Text Lite sprake is geweest van wanbeleid. Daar, nadat het onderzoeksrapport was verschenen, zowel het treffen van voorzieningen als het toelaten van kostenverhaal was […]”

r.o. 2.28

“De eerste subklacht bestrijdt dat [verzoekster] een centrale plaats heeft ingenomen in het in de rov. 3.4-3.6 geconstateerde wanbeleid, verband houdende met het door Village Scaldia aan [verzoekster] betaalde voorschot. Het onderdeel voert tegen het bestreden oordeel aan dat aan [verzoekster] geen overwegende zeggenschap binnen Village Scaldia toekwam. Kennelijk heeft de Ondernemingskamer [verzoekster] voor de gang van zaken met betrekking tot het voorschot (in termen van de hiervoor besproken rechtspraak:) individueel en concreet verantwoordelijk gehouden, niet omdat [verzoekster] die gang van zaken, gebruik makende van een overwegende zeggenschap in de rechtspersoon, zou hebben geforceerd, maar omdat het voorschot, zonder dat daaraan een redelijk argument ten grondslag lag, aan haar werd betaald en zij dat voorschot in haar eigen belang heeft aangewend, een en ander ten detrimente van de rechtspersoon. Voorts geldt het in rov. 3.6 vervatte verwijt dat betrokkenen hebben nagelaten Village Scaldia voor de nadelige gevolgen van hun eerdere foutieve handelwijze te behoeden, ook (en in de eerste plaats) [verzoekster], die immers van die foutieve handelwijze had geprofiteerd. In zoverre geeft het aangevochten oordeel mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk en is het evenmin onbegrijpelijk. 2.30 De tweede subklacht bestrijdt dat [verzoekster] (in termen van de hiervoor besproken rechtspraak:) individueel en concreet verantwoordelijk was voor het in de rov. […]”

r.o. 2.29

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2003:AF0644
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
24 januari 2003
Datum publicatie
24 januari 2003
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:350 BW, 2:353 BW, 2:354 BW, 2:355 BW, 2:356 BW, 2:392 BW
Thema
Enquêterecht
Aangesproken
bestuurder
Weekoverzicht
Week 4 van 2003

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.