← Week 10

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 7 maart 2003

Verdeelsleutel ontbonden vof bij uitsluitend arbeidsinbreng: gelijke delen (artikel 7A:1670 BW)

  • Personenvennootschappen
  • Aandelenwaardering
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Conclusie over de verdeling van het vermogen van een ontbonden vennootschap onder firma waarin alle vennoten uitsluitend arbeid inbrachten en niets over de winstverdeling afspraken. De A-G kiest bij zuivere arbeidsinbreng voor verdeling in gelijke delen als uitgangspunt, en niet voor taxatie van de feitelijke arbeid achteraf. Correctie blijft mogelijk via opzegging, een andere overeenkomst of de redelijkheid en billijkheid. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Thans kom ik tot mijn stellingname met betrekking tot middelonderdeel 1. Ik sluit mij aan bij de auteurs die voor het geval van inbreng van uitsluitend arbeid kiezen voor het uitgangspunt van verdeling in gelijke delen, en daarmee bij het stelsel van art. 7.13.10 lid 1 ontwerp (nieuw) BW. 4.27. Bij mijn keuze stel ik nog eens voorop dat het hier gaat om regelend recht. Dit lijkt op het eerste gezicht een zwak argument, omdat de keuze gemaakt moet worden voor die gevallen waarin partijen over de winstverdeling nu juist géén afspraken hebben gemaakt. Juist bij het aangaan van een maatschaps- respectievelijk v.o.f.-verhouding met enkel inbreng van arbeid ligt het echter zo buitengewoon voor de hand dat de partijen, als een van hen iets anders voor ogen staat dan gelijk opgaan bij de verdeling van de baten, daarover aanstonds een afspraak maken. Het normale uitgangspunt wanneer men samen iets gaat ondernemen, is immers dat de partijen uitgaan van de verdeling van de opbrengst in gelijke parten, populair gezegd: 'samsam'. Even voor de hand ligt het dus dat één van de partijen die meent voor een groter aandeel in aanmerking te komen, dat meteen 'aan het begin van de rit' laat weten. Dat ligt te meer voor de hand als van de aanvang af duidelijk is dat tussen de vennoten qua arbeidsinbreng aanzienlijke verschillen zullen bestaan (full-timer/deeltijder). Een partij die bij de aanvang al meent op een groter dan een gelijk aandeel aanspraak te kunnen maken, maar dat niet bij de aanvang […]”

r.o. 4.26

“Bij mijn keuze stel ik nog eens voorop dat het hier gaat om regelend recht. Dit lijkt op het eerste gezicht een zwak argument, omdat de keuze gemaakt moet worden voor die gevallen waarin partijen over de winstverdeling nu juist géén afspraken hebben gemaakt. Juist bij het aangaan van een maatschaps- respectievelijk v.o.f.-verhouding met enkel inbreng van arbeid ligt het echter zo buitengewoon voor de hand dat de partijen, als een van hen iets anders voor ogen staat dan gelijk opgaan bij de verdeling van de baten, daarover aanstonds een afspraak maken. Het normale uitgangspunt wanneer men samen iets gaat ondernemen, is immers dat de partijen uitgaan van de verdeling van de opbrengst in gelijke parten, populair gezegd: 'samsam'. Even voor de hand ligt het dus dat één van de partijen die meent voor een groter aandeel in aanmerking te komen, dat meteen 'aan het begin van de rit' laat weten. Dat ligt te meer voor de hand als van de aanvang af duidelijk is dat tussen de vennoten qua arbeidsinbreng aanzienlijke verschillen zullen bestaan (full-timer/deeltijder). Een partij die bij de aanvang al meent op een groter dan een gelijk aandeel aanspraak te kunnen maken, maar dat niet bij de aanvang van de samenwerking aankaart, handelt m.i. zelfs apert nonchalant. Dat dit niet alleen voor de jurist, maar ook (of misschien zelfs nog meer) voor de doorsnee burger zo voor de hand ligt, helpt misschien ook wel verklaren dat een zaak als deze in 164 jaar nog nooit voor de Hoge Raad gespeeld […]”

r.o. 4.27

“Uitleg van art. 7A:1670 in de door middelonderdeel 1 bedoelde zin is trouwens niet per se nodig als juridisch voertuig om een dreigende 'echt' onredelijke winstverdeling over het verleden alsnog te bestrijden. - Al eerder wees ik erop dat de zich onderbedeeld achtende compagnon, die meent te kunnen stellen en bewijzen dat tussen partijen 'écht' een andere winstverdeling bedoeld is/moet zijn, en dus overeengekomen moet worden geacht, dáárin een juridisch instrument heeft. - Is de zich onderbedeeld voelende compagnon van mening dat zijn (inmiddels) ex-maten als compagnons toerekenbaar tekort geschoten zijn, dan biedt het Burgerlijk Wetboek hem de mogelijkheid op die grondslag zijn schade te claimen: een tegenvordering tegenover de winstverdelingaanspraak van de ex-vennoten. - Ook als van wanprestatie van de ex-vennoten niet gesproken kan worden, maar wel van een (vergaand) 'onderpresteren' tegen een achtergrond van gelijke arbeidsinbreng, is er voor de zich onderbedeeld achtende compagnon nog een juridisch voertuig aanwezig. Dat is het - in hierboven al aangehaalde literatuur soms aangeduide - beroep op art. 6:248 resp. art. 6:2 BW. Uit mijn eerdere uiteenzettingen volgt intussen dat die weg geen gemakkelijke behoort te zijn. Nu art. 7A:1670 m.i. aldus uitgelegd behoort te worden dat daarin in een zaak tussen uitsluitend arbeid inbrengende maten, voor taxatie van de arbeidsinbreng geen plaats is, zou het inconsequent zijn om hetgeen volgens de ene hand niet aanwezig behoort te […]”

r.o. 4.29

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2003:AF2167
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
7 maart 2003
Datum publicatie
7 maart 2003
Spoor
Personenvennootschappen
Wetsartikelen
6:248 BW, 6:2 BW
Thema
Personenvennootschappen, Aandelenwaardering
Weekoverzicht
Week 10 van 2003

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.