Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 4 april 2003
Conclusie: maatstaf ernstig verwijt artikel 2:9 BW en gewicht enquêtebeschikkingen
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het om de interne aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van artikel 2:9 BW en het gewicht van OK-beschikkingen over wanbeleid en enquêtekosten in een gewone civiele procedure. De A-G meent dat het hof een te strenge maatstaf hanteerde, omdat een ernstig verwijt de norm is, en dat het de gestelde feiten niet buiten beschouwing mocht laten. OK-beschikkingen binden de burgerlijke rechter niet. Hij concludeert tot vernietiging.
Kernoverwegingen
“Ik noem als voorbeelden Dorhout Mees, Kort Begrip van het Nederlands Handels- en Faillissementsrecht, 1971, nrs. 4.208 en 4.241; Molengraaff c.s., Leidraad bij de beoefening van het Nederlandse Handelsrecht, 1953, p. 284; Völlmar, Het Nederlands Handelsrecht, 1953, nr. 166. 8 Parlementaire Geschiedenis van het Nieuw BW, boek 2, p. 436 (zie ook p. 138 en p. 541). 9 Het gedrag van de bestuurders dat in HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Ma ter beoordeling stond werd bijvoorbeeld als ernstig verwijtbaar aangemerkt, terwijl dat gedrag toch, ook bij ruime uitleg, moeilijk onder de kwalificaties van "opzet of bewuste roekeloosheid" kan worden gebracht. 10 Enkele verzonnen voorbeelden: de bestuurder heeft door onachtzaamheid verzuimd een voor de rechtspersoon essentiële verzekering te verlengen, waardoor een grote schade voor rekening van de rechtspersoon blijft; de bestuurder maakt een ernstige verkeersfout, met grote schade voor de rechtspersoon als gevolg; de bestuurder laat zich tegen beter weten in overhalen om een reeds op fraude betrapte employé nog een kans te geven, en de employé misbruikt die kans op grove wijze. Naar zich op goede gronden laat verdedigen zijn dit "onmiskenbare" tekortkomingen - maar of die ook (ernstig) verwijtbaar zijn betwijfel ik zeer. 11 In de laatstgenoemde vindplaats wordt verdedigd dat het criterium "ernstig verwijt" aansluit bij het criterium "(opzet of) bewuste roekeloosheid". Dit lijkt mij bepaald onaannemelijk. Daarmee strookt, dat in HR […]”
r.o. 7
“A-G Mok in zijn conclusie (nr. 6.4.6.2) voor HR 21 december 2001, RvdW 2001, 6 (Sobi/Hurks). Aan de vindplaatsen die A-G Mok in zijn conclusie noemt (voetnoot 72) zijn toe te voegen HR 8 februari 2002, NJ 2002, 196; HR 18 januari 2002, NJ 2002, 96; HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 94 m.nt. Ma; HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 m.nt. Ma en HR 14 november 1997, NJ 1998, 270 m.nt. Ma. 18 Daarbij is nog op te merken dat SCC zich hier mede beroept op een postinterlocutoire akte van 3 februari 1999. Dit stuk is echter pas genomen ná het interlocutoire vonnis waartegen het door het hof beoordeelde appel gericht was (partijen hebben namelijk hangende dit appel doorgeprocedeerd bij de rechtbank (een gegeven waarvan het hof blijkens de eerste rov. van het bestreden arrest wel op de hoogte was)). Deze akte wordt niet vermeld bij de stukken in de inventarissen van de Memorie van Grieven en de Memorie van Antwoord (en voorzover ik kon beoordelen ook niet elders in de stukken van het appel). Ik ga er daarom van uit dat het hof van deze akte geen kennis mocht nemen, of minstgenomen daar geen kennis van hoefde te nemen. 19 In een mondeling debat, weergegeven in "Rechtspleging in het ondernemingsrecht" 1997, p. 201 - 202, lijkt Asser een wat krachtiger prejudiciërend effect aan een beslissing van de ondernemingskamer toe te kennen, dan overigens pleegt te worden aangenomen. Ik wijs daarnaast nog op: Geerts, TVVS 1997, p. 186. Er zijn de nodige vindplaatsen waarin bezorgdheid wordt uitgesproken […]”
r.o. 17