Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 maart 2003
Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, certificaathouder, onmiddellijke voorziening en machtiging onderzoeker
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Conclusie in een enquêtezaak over een besloten vennootschap die door een deadlock niet meer kan functioneren. De A-G meent dat een voormalig bestuurder belanghebbende is in de eerste fase van de enquête en dat de economisch rechthebbende op certificaten kan gelden als certificaathouder in de zin van artikel 2:346 BW. De onmiddellijke voorziening is onvoldoende gemotiveerd, en de machtiging tot onderzoek bij een nauw verbonden vennootschap kan alleen op verzoek van de onderzoeker worden verleend.
Kernoverwegingen
“Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat MeesPierson Trust als een voormalig bestuurder van [naam 1] B.V. reeds in de eerste procedure (art. 2:345 BW) belanghebbende is in de zin van art. 282 Rv. Zij heeft een concreet belang bij de uitkomst van die procedure, gezien de eventuele verstrekkende gevolgen ervan zoals bijvoorbeeld kostenverhaal en aansprakelijkheid. Art. 2:349 BW dat onder meer bepaalt dat de ondernemingskamer het verzoek met de meeste spoed behandeld, staat aan een en ander niet in de weg. Deze bepaling behelst slechts een aansporing gericht tot de rechter(24) en lijkt ook overigens niet geschreven om belanghebbenden van de rechter af te houden. 2.19 Onderdeel 2 is gericht tegen rechtsoverweging 2.6 waarin de ondernemingskamer het volgende feit heeft vastgesteld: "(...) Houdster van alle certificaten is Credit Lyonnais Luxembourg S.A. (hierna ook Credit Lyonnais Luxembourg te noemen)" 2.20 Het onderdeel betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk is. [verzoeker tot cassatie] heeft gesteld dat Credit Lyonnais Management Services S.A., voorheen Fluxinter S.A. houder van alle aandelen is en hij heeft ontkend dat Credit Lyonnais Luxembourg certificaathouder is. Gezien deze ontkenning, waarop [verweerder in cassatie] niet heeft gereageerd, had de ondernemingskamer niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, mogen aannemen dat Credit Lyonnais Luxembourg de houdster van alle certificaten is, aldus het onderdeel. Evenzo is volgens het onderdeel onbegrijpelijk de […]”
r.o. 2.18
“Nu het enquêterecht aan de certificaathouders is toegekend op de grond dat zij - als verschaffers van risicodragend kapitaal zonder zeggenschap - daaraan enige bescherming konden ontlenen en vaststaat dat [verweerder in cassatie] rechtstreeks en economisch rechthebbende op de certificaten is en anders dan Credit Lyonnais Luxembourg een van de twee eigenlijke kapitaalverschaffers is, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat hij als certificaathouder in de zin van art. 2:346 sub b BW kan worden aangemerkt(37). Het subonderdeel faalt in mijn visie. 2.46 Onderdeel 4 voert aan dat [verzoeker tot cassatie] het verweer heeft gevoerd dat als de ondernemingskamer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap zou gelasten, dat onderzoek beperkt zou moeten worden tot de periode vanaf januari 2002 aangezien [verweerder in cassatie] in de periode daarvoor niet op enige wijze zijn bezwaren kenbaar heeft gemaakt, dan wel de periode vanaf januari 2000, daar de jaarrekeningen 2000 en 2001 vooralsnog niet door de aandeelhoudersvergaderingen zijn goedgekeurd, terwijl de vorige jaarrekeningen wel waren goedgekeurd. In het verweerschrift heeft [verzoeker tot cassatie] - aldus het onderdeel - er op gewezen dat er in de periode 1995-1997 regelmatig beslissingen werden genomen door de aandeelhoudersvergadering van SNF en dat [verweerder in cassatie] met alle beslissingen instemde, hetgeen impliceert dat er toen van een impasse bij SNF en [naam 1] nog geen sprake was. Het […]”
r.o. 2.45
“De ondernemingskamer heeft aan haar beslissing tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen alleen ten grondslag gelegd dat geen enkel uitzicht op enig functioneren van [naam 1] bestaat, hetgeen door [verzoeker tot cassatie] en MeesPierson Trust niet is betwist (rov. 3.6 in verbinding met rov. 3.7). Hoewel deze vaststelling dus onbestreden is en gezegd kan worden dat de noodzaak van de voorlopige voorziening daarmee voldoende gemotiveerd is, diende de ondernemingskamer m.i. wel verder te motiveren dat niet met een minder ingrijpende voorziening zou kunnen worden volstaan alsmede welke belangenafweging heeft plaatsgevonden. Onderdeel 5 slaagt mitsdien. 2.53 Onderdeel 6 keert zich tegen rechtsoverweging 3.9 waarin de ondernemingskamer het volgende heeft overwogen: "De Ondernemingskamer overweegt ten aanzien van de verzochte machtiging - ... - als volgt. Nu het enig activum in de vennootschap wordt gevormd door de aandelen in het kapitaal van SNF S.A. en het onderzoek zich dan ook met name zal dienen te richten op het beleid van de vennootschap als houdster van die aandelen, waaronder begrepen het optreden als aandeelhoudster en het uitbrengen van stemrecht in de algemene vergadering van aandeelhouders van SNF S.A. zal de Ondernemingskamer weliswaar de verzochte machtiging verlenen doch anderzijds bepalen dat zij slechts betrekking heeft op de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van SNF S.A. - zoals notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders - en het […]”
r.o. 2.52