Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 november 2003
Bekrachtiging door B.V. van handelingen vof B.V. i.o. en aansprakelijkheid vennoot
- Personenvennootschappen
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Personenvennootschappen
Samenvatting
In een zaak over een kredietrelatie tussen een bank en een ondernemer concludeert de A-G tot verwerping van het cassatieberoep. Een vennoot van een vof die onbevoegd heeft gehandeld, kan zich naar redelijkheid en billijkheid niet op die onbevoegdheid beroepen, omdat vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn. Op grond van artikel 2:203 BW kan alleen de opgerichte B.V. handelingen namens de B.V. i.o. bekrachtigen.
Kernoverwegingen
“Deze middelonderdelen moeten falen. 's Hofs oordeel dat [eiser] die - naar veronderstellenderwijs door het Hof is aangenomen - onbevoegd was om de litigieuze overeenkomst namens ILBF (de v.o.f. ILBF B.V. i.o.) aan te gaan en die zulks wist toen hij de overeenkomst sloot, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich niet erop kan beroepen dat deze op naam van de v.o.f. met de Bank gesloten overeenkomst vanwege zijn onbevoegdheid nietig is aangezien zulks onaanvaardbaar zou zijn, geeft naar mijn oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Immers zowel de vennoot die onbevoegd namens de v.o.f. heeft gehandeld als de vennoot die bevoegd namens de v.o.f. heeft gehandeld, is aansprakelijk. In het tweede geval kan de vennoot worden aangesproken op grond van art. 18 K omdat dan een gebondenheid van de vennootschap is ontstaan waarvoor de vennoten zelf hoofdelijk aansprakelijk zijn. In het eerste geval kan de vennootschap ondanks de onbevoegdheid van de handelende vennoot aan de overeenkomst zijn gebonden - bijvoorbeeld indien, zoals in casu het geval lijkt te zijn, de overeenkomst zonder meer is uitgevoerd (hetgeen immers als een bekrachtiging van de onbevoegd verrichte handeling kan worden opgevat) of ingeval de wederpartij de onbevoegdheid niet kende en ook niet behoefde te kennen, een geval dat zich - zoals [eiser] stelde - in casu niet voordoet; een een dergelijk geval is de vennoot eveneens hoofdelijk aansprakelijk op grond van art. 18 K. Is geen gebondenheid […]”
r.o. 13
“Deze middelonderdelen kunnen bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Voorzover [eiser] met het eerst bij pleidooi gedane beroep op schuldoverneming (pleitnotities mr. Tripels onderdeel 7) zou hebben willen aanvoeren dat CCM B.V. ook de schuld uit de persoonlijke gebondenheid van [eiser] heeft overgenomen, kon het Hof aan dit betoog voorbijgaan nu door [eiser] niet is gesteld en uit de gedingstukken ook niet kan worden afgeleid dat de Bank dáárvoor haar toestemming zou hebben gegeven. Ik wijs in dit verband erop dat de Bank weliswaar, nadat de v.o.f. ILFB B.V. i.o. bleek te zijn ontbonden, CCM als kredietnemer heeft erkend en dat de Bank de voorheen door de v.o.f. ILFB B.V. i.o en/of CCM B.V. aangehouden rekening op naam van CCM B.V. heeft gecontinueerd, doch dat in deze handelwijze niet ligt besloten dat de Bank bedoelde toestemming heeft verleend en [eiser] ontslagen achtte uit zijn persoonlijke gebondenheid. De stelling dat de schuld van [eiser] in privé is vervallen doordat CCM B.V. de (volgens [eiser] onbevoegd) namens de v.o.f. IFLB i.o. verrichte rechtshandelingen heeft bekrachtigd zoals bedoeld in art. 2:203 BW, kan [eiser] evenmin baten aangezien ingevolge art. 2:203 BW uitsluitend de opgerichte B.V. de namens de B.V. i.o. verrichte rechtshandelingen kan bekrachtigen. Zie: HR 8 juli 1992, NJ 1993, 116; HR 3 november 1995, NJ 1996, 141; HR 11 april 1997, NJ 1997, 573; zie hierover voorts: Asser-Maeijer, 2-III, 2000, nr. 77. In het midden kan blijven of een […]”
r.o. 15