Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 november 2003
Raad van commissarissen als bindend geschilbeslechter in aandelenovereenkomst met arbeidsrechtelijke component
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een koper van aandelen liet na een oordeel van haar raad van commissarissen resterende koopprijstermijnen vervallen, omdat de verkopende werknemer zou zijn tekortgeschoten onder zijn arbeidsovereenkomst. De A-G acht een bindende beslissing van de raad van commissarissen als geschilbeslechter in beginsel toelaatbaar, ook hier, omdat de gevolgen de aandelenovereenkomst raken en niet arbeidsrechtelijk zijn. Hij vindt wel dat het hof de redelijkheid van de beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd en concludeert tot vernietiging en terugverwijzing.
Kernoverwegingen
“Van der Grinten schrijft in het handboek:(8) "De bevoegdheid tot beslissing van geschillen kan statutair aan de raad van commissarissen worden toegekend, indien het geschillen betreft tussen vennootschap en haar aandeelhouders. De bevoegdheid kan voorts bij overeenkomst tussen de vennootschap en een wederpartij worden gevestigd; (...) Voorzieningen die beslissing van geschillen opdragen aan de raad van commissarissen zullen moeten worden beschouwd als bepalingen tot bindend advies (...) Of het in het algemeen wenselijk is aan commissarissen beslissing van geschillen op te dragen, is een andere vraag. Naar onze mening past op deze vraag een ontkennend antwoord. De plaats van de commissaris in de vennootschap, zijn verbondenheid met de vennootschap maken hem in het algemeen minder geschikt om als onpartijdige en onzijdige beoordelaar te fungeren, wanneer belangen van de vennootschap in het geding zijn."(9) Ook Uw Raad gaat, evenals Van der Grinten, in een inmiddels vrij oud arrest(10) uit van de toelaatbaarheid van de aanwijzing van de raad van commissarissen als geschilbeslechter in een aangelegenheid waarbij de vennootschap is betrokken. M.i. gaat het ook nu te ver om categorisch aan te nemen dat een raad van commissarissen niet als geschilbeslechter zou mogen optreden in een aangelegenheid waarbij de vennootschap is betrokken. Op dit punt dient partijautonomie voorop te staan. Wel ben ik een voorstander van toetsing van een clausule waarbij de raad van commissarissen als […]”
r.o. 4.2
“Kan een arbeidsrechtelijke kwestie bij wege van partijbeslissing beslecht worden? Ik meen dat dit in het algemeen niet mogelijk geacht moet worden. In de schriftelijke toelichting op het cassatiemiddel wordt op een reeks van wettelijke bepalingen gewezen die tot deze conclusie aanleiding geven. In dit verband zijn van belang art. 7:678 lid 3 BW (bedingen waarbij het aan de werkgever wordt overgelaten te beslissen, of er een dringende reden is, zijn nietig), art. 7:681 lid 4 BW (een beding waarbij het aan een van de partijen wordt overgelaten te beslissen of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is nietig), art. 7:685 BW (alleen de kantonrechter mag beslissen, of een arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen ontbonden mag worden, art. 7:786 BW (ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens tekortschieten in de nakoming daarvan kan slechts door de rechter uitgesproken worden) en art. 7:613 BW (eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever is niet zonder meer mogelijk, ook al heeft de werkgever de bevoegdheid hiertoe voorbehouden). Ik leid uit deze bepalingen af dat een werkgever niet eenzijdig met een vervolgens beperkte toetsing door de rechter mag beslissen dat een werknemer is tekortgeschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst. Dit zou tot de conclusie kunnen leiden dat art. 6 van de aandelenovereenkomst niet rechtsgeldig is, omdat deze contractsbepaling in strijd is met de dwingende systematiek van het […]”
r.o. 4.3
“Niettemin meen ik dat deze conclusie in dit bijzondere geval niet getrokken dient te worden. De gevolgen van de partijbeslissing van de raad van commissarissen zijn in het hier aan de orde zijnde geval niet arbeidsrechtelijk, maar komen naar voren bij de afwikkeling van de aandelenovereenkomst. Als gevolg van de beslissing van de raad van commissarissen wordt [eiser 2] bij voorbeeld immers niet ontslagen of dient hij akkoord te gaan met een wijziging van zijn functie. Het gevolg van de beslissing is dat hij met een verlaging wordt geconfronteerd van de koopsom voor de aandelen die zijn persoonlijke vennootschap aan Mammoet heeft verkocht. Nu dit op deze wijze tussen partijen is overeengekomen, mag de arbeidsrechtelijke systematiek niet in stelling worden gebracht om de rechtsgeldigheid van art. 6 lid 2 van de aandelenovereenkomst te beoordelen. Men zou kunnen zeggen dat [eiser 2] als gevolg van de toepassing van art. 6 lid 2 niet door arbeidsrechtelijke sancties wordt getroffen, maar door een sanctie die het gevolg van afspraken is die hij heeft gemaakt in een door hem afgesloten aandelenovereenkomst. Als er wel arbeidsrechtelijke sancties zouden gaan gelden als gevolg van de beslissing van de raad van commissarissen, zou art. 6 lid 2 m.i. wel onverbindend zijn. Ik wijs erop dat, wanneer [eiser 2] ontslagen zou worden, omdat de werkgever van mening is dat hij is tekort geschoten in de nakoming van zijn arbeidsovereenkomst, dit ontslag volledig door de rechter getoetst kan […]”
r.o. 4.4