Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 5 december 2003
Afwikkelingsregeling vof: gebondenheid van (schijn)vennoot in privé of via vennoot-b.v.
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een schuldeiser vordert van een voormalig vennoot van een vennootschap onder firma betaling op basis van een afwikkelingsregeling. De vraag is of de ondertekenaar in privé, als schijnvennoot of juist uitsluitend via zijn vennoot-b.v. gebonden is. De A-G concludeert dat het hof de uitleg van de verklaring, de toerekening van kennis en het bewijsoordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, en adviseert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Subonderdeel I.1 klaagt over rechtsoverweging 2 van het bestreden arrest: "De rechtbank heeft met betrekking tot de primaire vordering geoordeeld dat [eiseres] c.s. van [verweerder] in diens hoedanigheid van vennoot van HCI geen betaling van hun vorderingen op HCI kunnen eisen nu uit het Handelsregister blijkt dat [verweerder] geen vennoot van HCI is. Tegen dat oordeel is in hoger beroep niet opgekomen." Het subonderdeel klaagt dat het hof in rov. 2 ten onrechte niet heeft behandeld het beroep van [eiseres] c.s. op de omstandigheid dat [verweerder] jegens hen in schijn nog steeds vennoot was en op die grond gehouden was om in ieder geval 25% van de vorderingen van [eiseres] c.s. te voldoen. Hiermee brengt het subonderdeel de zogenaamde devolutieve werking van het appel in stelling. Het beroep op deze werking is m.i. in beginsel terecht. Het hof had in zijn eerste arrest de gevolgen moeten onderzoeken van zijn afwijzing van de door de rechtbank in beginsel aanvaarde onvoorwaardelijke gebondenheid van [verweerder] aan de verklaring van 4 september 1990 (tweede grondslag van de vordering van [eiseres] c.s.) voor het tegelijkertijd door de rechtbank afgewezen beroep van [eiseres] c.s. op de bij hen bestaande indruk dat [verweerder] nog steeds vennoot was (eerste grondslag van de vordering van [eiseres] c.s.). Niettemin meen ik dat het subonderdeel bij gebrek aan belang verworpen dient te worden. [Eiseres] c.s. hebben in hun memorie van grieven van 3 augustus 2000 gesteld dat […]”
r.o. 3.2
“Het subonderdeel I.2 richt zich tegen rechtsoverweging 5 van het arrest van het hof. Deze rechtsoverweging luidt als volgt: "Gelet op de inhoud van verklaring en het aandeel in het verlies dat de ondertekenaars voor hun rekening nemen acht het Hof het aannemelijk dat [verweerder] bij het opstellen van de verklaring en de ondertekening daarvan is opgetreden als vertegenwoordiger van Tegelgigant B.V. Het ging hier immers om het vinden van een oplossing van de in problemen verkerende vennootschap onder firma HCI, waarvoor slechts vennoten aansprakelijk zijn te stellen. Uit de stukken blijkt niet dat [verweerder] zich daarbij als borg of anderszins in privé voor Tegelgigant heeft verbonden." Het hof leidt uit de tekst van de verklaring van 4 september 1990 af dat niet [verweerder] in privé gebonden is aan hetgeen uit de verklaring voortvloeit, maar zijn b.v. Het onderdeel acht deze gevolgtrekking onjuist en wijst erop dat [eiseres] c.s. in de memorie van antwoord van 6 februari 1997(10) op een aantal omstandigheden hebben gewezen dat hun inziens aanleiding zou moeten geven tot het aannemen van een binding van [verweerder] in privé. In de memorie worden onder andere genoemd de reden voor de bespreking waarin de verklaring van 4 september 1990 is opgesteld, de omstandigheid dat de bespreking plaatsvond op initiatief, ten kantore en in aanwezigheid van [eiseres] c.s., de omstandigheid dat in de verklaring naar [eiseres] c.s. als de grootste crediteuren van HCI wordt verwezen en de […]”
r.o. 3.3
“Het subonderdeel II.2 van het middel is gericht tegen rechtsoverweging 3.3 van het tweede arrest van het hof. Rechtsoverweging 3.3 luidt als volgt: "Blijkens een kopie wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel houdende wijziging vennoot in HCI (...) hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dit formulier medeondertekend. Een ontwerp van een notariële akte uit 1987 voor de oprichting van een besloten vennootschap HCI B.V. (...) vermeldt als comparant - naast de drie vennoten van de v.o.f. HCI - Tegelgigant B.V. Voorts heeft [verweerder] als getuige verklaard dat alle vennoten ervan op de hoogte waren dat Tegelgigant B.V. vennoot van HCI was. Hieruit leidt het hof af, dat de andere vennoten ermee bekend waren dat [verweerder] als vennoot van HCI was uitgetreden en dat Tegelgigant daarvoor in de plaats was gekomen. Nu [betrokkene 3] blijkens zijn verklaring als getuige vanaf ongeveer 1987 tot 1997 directeur is geweest van [eiseres 1], en - blijkens de getuigenverklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [verweerder]- ook (mede)eigenaar of directeur van [eiseres 2] was en [betrokkene 2] als getuige voorts heeft verklaard 25 jaar bedrijfsleider van [eiseres 1] te zijn geweest brengt dit mee, dat ook [eiseres 1] en [eiseres 2] met de wisseling van vennoot (bekend?, L.T.) moeten worden verondersteld. In ieder geval kan gelet hierop niet worden volgehouden dat [verweerder] tegen [eiseres 1] en [eiseres 2] de schijn heeft gewekt dat hij nog vennoot van HCI was dient dan ook […]”
r.o. 3.7