← Week 51

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 19 december 2003

Marginale toetsing van kerkelijke geschilbeslissing; binding van vrij-beheergemeenten aan kerkorde

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een kerkgenootschap met rechtspersoonlijkheid krachtens artikel 2:2 BW wil zijn zelfstandige onderdelen, de vrij-beheergemeenten, binden aan uniforme beheersregels. De A-G concludeert dat de burgerlijke rechter een beslissing van een kerkelijke geschilcommissie in analogie met artikel 7:904 BW slechts marginaal toetst. Ook concludeert hij dat de gemeenten op grond van de kerkorde gebonden zijn, en dat de klachten over artikel 2:2 BW en over de onafhankelijkheid van de commissie falen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Ik merk hierbij op dat deze analogische toepassing van art. 7:904 lid 1 BW niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Ik werk dit als volgt uit. Het is inmiddels een algemeen beginsel van privaatrecht dat een rechter een beslissing van een lichaam die is genomen krachtens eigen bevoegdheid slechts beperkt en niet vol mag toetsen.(13) Van zo'n krachtens eigen bevoegdheid genomen beslissing is m.i. sprake in het geval van een geschilbeslissing die is genomen door de Generale Commissie. Dit beginsel van beperkte toetsing wordt in de rechtspraak en literatuur ook van toepassing geacht op bevoegd genomen geschilbeslissingen van kerkelijke organen.(14) Dit strookt ook met de visie van de wetgever op deze problematiek. Art. 7:906, lid 1 BW houdt in dat de wettelijke bepalingen inzake de vastellingsovereenkomst van overeenkomstige toepassing zijn, wanneer een vaststelling haar rechtsgrond elders vindt dan in een overeenkomst. Hierbij is door de wetgever onder andere gedacht aan kerkrechtelijke geschilbeslechting. Dit blijkt uit het volgende: Het oorspronkelijke ontwerp Meijers bepaalde dat de ontwerpversie van het latere art. 7: 904, lid 1 niet van overeenkomstige toepassing is op kerkgenootschappen (art. 7.15.11, lid 3 van het Groene Ontwerp). De toelichting op dit ontwerp zegt echter dat deze bepaling niet betekent dat analogische toepassing van dit artikel is uitgesloten, maar dat deze analogische toepassing geheel aan de rechter wordt overgelaten(15). In de MvT bij […]”

r.o. 3.5

“Subonderdeel 3.2 voert aan dat art. 2:2, lid 2 BW geen regelgevende bevoegdheid in het leven kan roepen. Hoe men over het vraagstuk van de uitleg van art. 2, lid 2 B.W. ook denkt(17), de stelling is m.i. in dit geding niet relevant. Ook de Gemeenten gaan er immers vanuit dat de Kerkorde 1951 - kennelijk buiten art. 2:2, lid 2 BW om - in beginsel voor hen geldt(18). Voor de beantwoording van de vraag, of de Generale Synode uniforme beheersregels kan geven voor de vrij beheergemeenten komt het hiermee aan op interpretatie van die Orde. In de rechtsoverwegingen 24 en 25 heeft het hof aangegeven dat en waarom het de door de Generale Commissie gegeven uitleg van de Kerkorde 1951 op dit punt niet onjuist acht. De in deze overwegingen weergegeven gedachtegang maken voldoende duidelijk waarom het hof tot het oordeel is gekomen dat de vrij beheergemeenten althans hun kerkvoogdijen in vermogensrechtelijk opzicht niet buiten het kerkverband staan. Ook al volgt men de vrij beheergemeenten in hun uitleg van art. 2:2, lid 2 BW, dan is er nog steeds een mogelijkheid van binding en deze binding is in casu aanwezig.(19) Ik vind deze door het hof en de Generale Commissie voorgestane uitleg van de Kerkorde 1951 niet onbegrijpelijk.(20) Om deze reden meen ik dat de Gemeenten geen belang hebben bij subonderdeel 3.2, zodat dit niet tot cassatie kan leiden. 3.14 Volgens subonderdeel 3.3 heeft het hof miskend dat een eigenaar niet in zijn beschikkingsbevoegdheid kan worden beperkt. Hiervoor zou […]”

r.o. 3.13

“Bij de beoordeling van de hiertegen gerichte rechts- en motiveringsklachten dient het volgende te worden vooropgesteld. Ingevolge art. 7:904 BW kan een beslissing van een partij (bindende partijbeslissing) of van een derde (bindend advies) ook vernietigbaar zijn in verband met de wijze waarop deze tot stand is gekomen. Achtergrond van deze vernietigingsmogelijkheid is dat (ook) de wijze van totstandkomen van invloed is of kan zijn op het verkrijgen van een beslissing met een redelijke en billijke inhoud. Met het oog hierop mogen dan ook eisen worden gesteld aan de wijze van totstandkoming.(24) In het kader van een bindend advies - derhalve beslissing door een derde - wordt in dit verband wel gesproken van het 'hoofdbeginsel van behoorlijk gedrag', dat onder meer inhoudt dat in elk geval een aantal fundamentele beginselen van procesrecht in acht wordt genomen, waaronder (hoewel bij bindend advies niet wettelijk gewaarborgd) het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid.(25) Met de Gemeenten lijkt het mij dat bij de toetsing hiervan aansluiting kan worden gezocht bij de criteria die zijn ontwikkeld in het kader van art. 6 EVRM en de wraking van rechters. Op grond van deze criteria komt het niet alleen aan op de de persoonlijke instelling van de betrokken personen (subjectieve test), maar (vooral) ook op de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die objectief grond geven te vrezen dat het de betrokken personen aan onafhankelijkheid en onpartijdig ontbrak.(26) 3.22 […]”

r.o. 3.21

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2003:AN7818
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
19 december 2003
Datum publicatie
19 december 2003
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:2 BW, 7:904 BW, 7:906 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 51 van 2003

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.