← Week 5

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 30 januari 2004

Ontvanger vordert schadevergoeding van moedermaatschappij wegens verhaalsfrustratie; formele rechtskracht belastingaanslag

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

De Ontvanger vordert schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van de gewezen moedermaatschappij, tevens enig bestuurder en aandeelhouder van een belastingschuldige vennootschap, omdat zij door overdracht van activa en verkoop van aandelen het verhaal van de fiscus zou hebben gefrustreerd. De A-G acht de Ontvanger ontvankelijk, maar meent dat de formele rechtskracht van de belastingaanslag niet aan de moedermaatschappij kan worden tegengeworpen en dat het hof zijn oordeel over de vermijdbaarheid van de schade onvoldoende motiveerde. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.

Kernoverwegingen

“Bij de heffing van belastingen geldt op grond van het legaliteitsbeginsel een gesloten stelsel, dat voor de belastingdienst een actie uit onrechtmatige daad in beginsel uitsluit(7). Bij de invordering van belastingen is dit anders. Bij de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 heeft de wetgever gekozen voor een zgn. "open stelsel", waarin de Ontvanger niet alleen de beschikking heeft over de bevoegdheden welke de Invorderingswet 1990 hem toekent, maar ook over de bevoegdheden welke een schuldeiser op grond van enige andere wettelijke bepaling heeft (zie art. 3 lid 2 Iw 1990). Hoewel de wetgever daarbij niet onmiddellijk heeft gedacht aan een vordering op grond van onrechtmatige daad(8), is in de rechtspraak aanvaard dat het open stelsel meebrengt dat de Ontvanger op grond van onrechtmatige daad een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen. Wel wordt in de vakliteratuur daaraan de eis gesteld dat het instellen van de vordering past binnen de taakomschrijving van de Ontvanger, te weten de invordering van Rijksbelastingen(9). In HR 28 juni 1996, NJ 1997, 102 m.nt. J.W. Zwemmer (Van Maarseveen/Ontvanger), waar het eveneens ging om een vervangingsreserve, heeft de Hoge Raad overwogen: "Zoals uit het hiervoor onder 3.3.1 overwogene volgt, brengt het "open systeem" van de Invorderingswet 1990 mee dat de Ontvanger ontvankelijk is in zijn vordering die niet strekt tot invordering van belastingschulden van de verhandelde vennootschappen, maar tot vergoeding van de schade […]”

r.o. 2.5

“Met de drie in alinea 2.7 genoemde aanvullende gronden heeft het hof dit verweer genoegzaam weerlegd. De ratio van de termijn van twee maanden moet worden gezocht in de rechtszekerheid: bij de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 is aangedrongen op het opnemen van een termijn, kennelijk om op deze wijze te voorkómen dat een aansprakelijkgestelde die de aansprakelijkstelling tijdig en gemotiveerd schriftelijk heeft betwist, in onzekerheid blijft of de Ontvanger genoegen neemt met deze betwisting. Echter, de aansprakelijkstelling d.d. 15 augustus 1997 had uitsluitend betrekking op de aansprakelijkheid ex art. 40 Iw 1990. Het niet instellen van een rechtsvordering binnen twee maanden na de betwisting daarvan noopt daarom niet tot het oordeel dat de aansprakelijkgestelde erop mocht vertrouwen dat de Ontvanger het recht heeft verloren om op een andere grondslag dan art. 40 Iw 1990 een vordering in te stellen(24). Voor zover [eiseres] bedoelt dat de Ontvanger zelf de koppeling heeft gelegd door de primair/subsidiair-constructie in het beslagverlofrekest en de eerste (niet doorgezette) dagvaarding en door hieraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag te leggen, heeft het hof als feitenrechter mogen oordelen dat het vertrouwensbeginsel niet door de Ontvanger is geschonden. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk: het feit dat de Ontvanger in het beslagverlofrekest en in de eerste dagvaarding voor twee ankers is gaan liggen kan evengoed worden gebruikt om het tegendeel te […]”

r.o. 2.17

“In dit middelonderdeel gaat het om de vraag of de formele rechtskracht kan worden tegengeworpen aan iemand, voor wie geen met voldoende waarborgen omklede andere (bestuursrechtelijke) rechtsgang heeft opengestaan waarin hij de rechtmatigheid van de belastingaanslag ter discussie heeft kunnen stellen(35). Uit de systematiek van de leer van de formele rechtskracht kan a contrario worden afgeleid dat in zo'n geval de formele rechtskracht niet aan de desbetreffende procespartij (eiser of verweerder) kan worden tegengeworpen. Dit vindt bevestiging in HR 20 november 1987, NJ 1988, 843 m.nt. MS(36). Het arrest HR 26 april 1991, NJ 1991, 454 (i.h.b. rov. 3.3), waarop [eiseres] zich beroept, gaat over een ander probleem, namelijk een beweerdelijke schending van algemene beginselen van procesrecht door de Ontvanger. M. Scheltema heeft in zijn noot in onder HR 27 mei 1994, NJ 1997, 158, uiteengezet dat de regel van de formele rechtskracht (door hem t.a.p. aangeduid als regel c) is afgeleid van de regel van het gezag van gewijsde van de uitspraak van de bestuursrechter (door hem aangeduid als regel b). Wanneer de vraag rijst ten opzichte van wie de formele rechtskracht van een beschikking kan worden ingeroepen, kan z.i. het antwoord worden gevonden door te bezien ten opzichte van wie een uitspraak van de bestuursrechter - zo er wél beroep zou zijn ingesteld door iemand die daartoe bevoegd is - gezag van gewijsde zou kunnen hebben. 2.25. Twijfel aan het voorgaande rijst door enkele […]”

r.o. 2.24

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2004:AF8839
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
30 januari 2004
Datum publicatie
30 januari 2004
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 6:101 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
beide
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 5 van 2004

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.