← Week 7

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 13 februari 2004

Waardering vennootsaandeel bij ontbinding vof en meerwaardeclausule in erfrechtelijk inkortingsgeschil

  • Personenvennootschappen
  • Aandelenwaardering
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

In een erfrechtelijk geschil over legitieme portie en inkorting gaat het om de waardering van het aandeel van een vennoot bij ontbinding van een vof waarin een moeder en zoon een melkveebedrijf dreven. De A-G acht de klachten gegrond: het hof heeft onvoldoende gemotiveerd hoe de vennootschapsovereenkomst, redelijkheid en billijkheid en het belang van continuïteit van de onderneming doorwerken in de waardering, en heeft een bevoordelingsbedoeling bij het ontbreken van een meerwaardeclausule onvoldoende onderbouwd. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.

Kernoverwegingen

“Het onderdeel treft m.i. doel. Uitgangspunt is dat de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap beheerst worden door de redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 BW). Dit uitgangspunt dient uiteraard ook in acht te worden genomen bij het tot stand brengen van een scheiding en deling tussen de deelgenoten. Uit art. 3:185 lid 1 BW blijkt nog eens met zoveel woorden dat de wetgever dit ook zo ziet. In dit artikel is immers bepaald dat de rechter bij verschil van mening tussen de deelgenoten op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling dient vast te stellen, naar billijkheid rekening houdend met de belangen van partijen en het algemeen belang. Uit de wetsgeschiedenis is op te maken dat met algemeen belang bedoeld is het belang van de continuïteit van bedrijfsvoering. De gedachte hierbij is dat de wijze van waardering van gezamenlijk ondernemingsvermogen niet mag leiden tot liquidatie van een in essentie gezond bedrijf. Het is maatschappelijk ongewenst wanneer de voortzettende vennoot bij een te hoge prijsbepaling tot liquidatie is gedwongen. Het belang van de gezonde voortzetting van de onderneming kan prevaleren boven belang van niet-voortzettende familieleden. Er zijn hier morele en maatschappelijke factoren in het spel. Ook de redelijkheid en billijkheid zullen zich in het algemeen er tegen verzetten dat een deelgenoot zijn onderneming zou moeten staken als gevolg van een te hoge waardering en daarmee zijn bron van inkomsten zou […]”

r.o. 3.12

“Voor de waardebepaling van goederen met het oog op een verdeling is primair van belang hetgeen de vennootschapsovereenkomst hieromtrent bepaalt.(17) Nu de vennootschapsovereenkomst - anders dan over de waardering van het onroerend goed - niets expliciets bepaalt over de waardering van het vee en de bedrijfsinventaris, komt toepassing van de hierboven genoemde maatstaven van redelijkheid en billijkheid in aanmerking. Daarbij dient uiteraard ook de aard van de tussen moeder en [eiser] geldende rechtsverhouding, zoals deze in de vennootschap onder firma was tot stand gebracht, te worden meegewogen(18). In dit licht klaagt het onderdeel m.i. terecht dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt of het de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid heeft toegepast en of het daarbij de bijzondere rechtssfeer waarin de betrokken vennootschap onder firma functioneerde heeft meegewogen. Als het deze maatstaven wel heeft toegepast, heeft het hof niet duidelijk gemaakt, op welke wijze toepassing ervan hem heeft gebracht tot het hanteren van de economische waarde voor de waardebepaling van het vee en de bedrijfsinventaris. 3.14 Het op dit cruciale punt ontbreken van een toereikende motivering klemt te meer nu het hof in rov. 4.37 heeft aangegeven dat het de bedoeling van de moeder en [eiser] was hem bij ontbinding van de vennootschap in de gelegenheid te stellen het bedrijf voort te zetten. Dit wijst in de richting dat de betrokken partijen voor de waardering van de tot het gezamenlijke […]”

r.o. 3.13

“Tegen deze achtergrond treft de hiervoor genoemde klacht doel. Als goederen bij voortzetting van een onderneming aan de voortzettende ondernemer tegen een lagere prijs worden overgedragen dan de economische waarde, houdt dit op zich zelf bevoordeling van de voortzetter in. Het cruciale punt is echter of in een geval als het onderhavige sprake is geweest van een bedoeling van de moeder om [eiser] te bevoordelen. Juist op dit punt is het arrest van het hof onvoldoende gemotiveerd. Het hof volstaat in rov. 4.39 met een verwijzing naar de omstandigheden en naar een onvoldoende bestrijding door [eiser] van de door het hof veronderstelde liberaliteit. Het is mij onduidelijk welke omstandigheden het hof op het oog heeft. Daar komt bij dat in de memorie van grieven tevens aanvulling van eis slechts terzijde in de toelichting op grief X door [verweerster] melding wordt gemaakt van het ontbreken van een meerwaardebeding. Hierdoor kan van [eiser] niet verwacht worden dat hij voor het hof uitgebreid ingaat op het al dan niet aanwezig zijn van een bevoordelingsbedoeling bij moeder. 3.20 Ten overvloede neem ik de vrijheid nog op een ander punt te wijzen. Ik betwijfel of het werkelijk zo juist is om de meerwaardeclausule toe te passen op de verkoop in 1993 door [eiser] van 9 ha bedrijfsgrond. Ik wijs terug naar 1.12 van deze conclusie. De verkoop van de bedrijfsgrond is verricht op verlangen van de bank van [eiser]. De verkoopopbrengst heeft [eiser] gebruikt om een vervangend stuk grond […]”

r.o. 3.19

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2004:AN8172
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
13 februari 2004
Datum publicatie
13 februari 2004
Spoor
Personenvennootschappen
Wetsartikelen
3:166 BW, 3:185 BW, 4:967 BW, 4:960 BW, 4:113 BW
Thema
Personenvennootschappen, Aandelenwaardering
Weekoverzicht
Week 7 van 2004

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.