Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 5 maart 2004
Faillietverklaring van feitelijk beleidsbepaler; pluraliteitsvereiste en steunvordering uit bestuurdersaansprakelijkheid
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een curator verzoekt het faillissement van een feitelijk beleidsbepaler die eerder hoofdelijk is veroordeeld wegens bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement van een dochtermaatschappij. Het hof wees het verzoek af wegens het pluraliteitsvereiste. De A-G concludeert tot vernietiging, mede omdat de steunvordering van de curator van de holding (grondslag artikel 2:248 BW) onvoldoende gemotiveerd als nauw samenhangend is aangemerkt. Boek 2 speelt slechts als grondslag van die steunvordering een rol.
Kernoverweging
“Subonderdeel 2.2 heeft betrekking op het volgende. Het hof heeft vastgesteld dat het tekort in de boedel van de holding, waarvoor [verweerder] als bestuurder van de holding krachtens art. 2:248 BW aansprakelijk is gesteld door de curator in het faillissement van de holding, mr. Van Gelein Vitringa q.q., grotendeels wordt gevormd door de vordering die mr. Van Galen q.q. op de holding heeft uit hoofde van de veroordeling van de holding wegens bestuurdersaansprakelijkheid. De vraag is nu, of het hof op de in rov. 5 aangegeven gronden tot het oordeel kon komen dat het in wezen om één en dezelfde vordering gaat. Dat is niet vanzelfsprekend: mr. Van Gelein Vitringa q.q. is immers een andere schuldeiser dan degene die het faillissement heeft aangevraagd. Ook de grond van zijn vordering (art. 2:248 BW-aansprakelijkheid van [verweerder] als bestuurder van de holding) is een andere dan de grond waarop de vordering van mr. Van Galen q.q. op [verweerder] berust. 2.8. In de subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2 wordt geklaagd dat de door het hof aangenomen "nauwe samenhang" niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag liggende motivering. Deze klacht komt mij gegrond voor. Wanneer [verweerder] het bedrag tot betaling waarvan hij is veroordeeld aan mr. Van Galen q.q. voldoet - de ene, in rov. 5 genoemde mogelijkheid -, is het tekort in de boedel van de dochtermaatschappij aangezuiverd en heeft mr. van Galen q.q. te dezer zake niets meer van de holding te vorderen. Op zijn beurt valt dan […]”
r.o. 2.7