Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 16 januari 2004
Uitkoop: statutair unanimiteitsvereiste is geen bijzonder zeggenschapsrecht in de zin van artikel 2:201a lid 4 BW
- Uitkoop
- Boek 2 BW
Samenvatting
In deze conclusie gaat het om een uitkoopvordering op grond van artikel 2:201a BW. De vraag is of een statutaire eis van unanimiteit bij aandeelhoudersbesluiten een bijzonder recht inzake de zeggenschap is dat uitkoop uitsluit. De A-G meent van niet: die afwijzingsgrond ziet alleen op prioriteitsaandelen. Hij concludeert tot vernietiging van de afwijzing door de OK en tot terugwijzing.
Kernoverwegingen
“Het vierde lid van art. 2:201a BW bevat een bewust door de wetgever beperkt gehouden en ook limitatieve opsomming van drie afwijzingsgronden; onderhavige zaak draait om de regel dat de rechter de vordering tegen alle gedaagden afwijst indien "(...)een gedaagde houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden (...)". 2.5 Het aanvankelijk voorgestelde art. 2:201a lid 4 bevatte laatstgenoemde afwijzingsgrond niet(3). Deze is naar aanleiding van opmerkingen in de Tweede Kamer en een verzoek daartoe van het Genootschap van Bedrijfsjuristen in de wet opgenomen(4). Ik citeer uit de Memorie van Antwoord(5): "(...)Deze leden vroegen vroegen aandacht voor de positie van houders van prioriteitsaandelen. Zij vroegen in hoeverre aan een redelijk belang bij zeggenschap van deze houders tegemoet kan worden gekomen. Aan deze prioriteitsaandelen zijn bijzondere zeggenschapsrechten verbonden. Zij beogen vaak een waarborg te vormen, bijvoorbeeld tegen overvallen van derden. De overwegingen die hebben geleid tot uitgifte van dergelijke aandelen behoren te worden gerespecteerd. Daar komt bij dat de bijzondere aard van deze aandelen het moeilijk maakt daarvan de prijs te bepalen. Derhalve zal bij nota van wijziging lid 4 alsnog in die zin aangevuld worden dat de vordering ook moet worden afgewezen als een gedaagde aandeelhouder zich beroept op het feit dat aan zijn aandelen bijzondere zeggenschapsrechten verbonden zijn." Mijns […]”
r.o. 2.4
“Uit de wetsgeschiedenis wordt nog iets anders duidelijk dat voor de hier aan de orde zijnde aangelegenheid van belang is: de wetgever heeft de uitkoopmogeljkheid in een eenvoudige, simpele procedure willen vorm geven. Er is onder andere indertijd in het parlement gediscussieerd over het opnemen van een nog een aantal uitzonderingen in lid 4. De minister heeft de Tweede Kamer kunnen overtuigen die andere uitzonderingen niet op te nemen. De minister merkt hierbij op: "Het zou van de rechter een moeilijke afweging vragen van de belangen van de vennootschap. Deze lenen zich tot lange vertogen over en weer en zijn dan moeilijk te bepalen. In de procedure waarin tot dusverre belangenafwegingen zijn vermeden buiten het bepalen van de prijs, zou dit een controversieel element brengen dat de taak van de rechter verzwaart"(14). Ik meen dat aan deze opmerkingen van de minister recht wordt gedaan door de in lid 4 wel opgenomen uitzonderingen zo uit te leggen dat deze zo min mogelijk afwegingen van de rechter verlangen. Om met Maeijer te spreken: "De gedachte is dat de rechter dan niet belast moet worden met de moeilijke afweging van de wederzijdse belangen"(15). Of deze door de wetgever voorgestane, beperkte benadering achteraf bezien zo gelukkig is geweest, is een andere vraag. De door de Ondernemingskamer in zijn bestreden arrest voorgestane ruime uitleg van de uitzindering inzake aandelen met bijzondere zeggenschapsrechten zal er toe leiden dat de uitkoopprocedure complexer wordt dan […]”
r.o. 2.7
“Op grond van de tekst van art. 2:201a lid 4 BW, de hiervoor geciteerde passage uit de parlementaire geschiedenis en de bedoelingen van de wetgever ben ik van oordeel dat de zinsnede "een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden" slechts ziet op prioriteitaandeelhouders. Een andere opvatting zou aldus niet alleen in strijd komen met de (strekking van de) wet, maar ook leiden tot rechtsonzekerheid die de wetgever juist wilde vermijden. Het is immers lastig te overzien welke aandelen en in verband daarmee welke bijzondere statutaire regelingen onder het begrip "bijzonder recht inzake de zeggenschap" gebracht kunnen worden. De reikwijdte van term bijzondere rechten inzake de zeggenschap wordt dan anders de wetgever voor ogen stond onduidelijk. Aan de positie van een houder van een aandeel, dat geen prioriteitsaandeel is, doch waaraan de facto bijzondere rechten zijn verbonden, kan op andere manieren dan een ruime uitleg van art. 2: 201a, lid 4 BW. worden tegemoet worden gekomen. De Ondernemingskamer kan bij het vaststellen van de prijs (art. 2:201a lid 5 BW) rekening houden met de omstandigheid dat het aandeel een bijzondere positie in de vennootschap oplevert. Ook is het denkbaar dat in uitzonderlijke gevallen de gedaagde minderheidsaandeelhouder met succes beroep doet op misbruik van bevoegdheid door de meerderheidsaandeelhouder. Bij het toepassen van deze mogelijkheid moet echter in aanmerking genomen worden dat de […]”
r.o. 2.9