← Week 19

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 7 mei 2004

Uitspraak Parket bij de Hoge Raad

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een curator stelt dat zekerheden en financiering van een BV nietig zijn omdat de BV bij een bank leende en het geld doorleende aan degene die haar aandelen kocht (artikel 2:207c BW). De A-G kiest voor een soepele uitleg: zekerheid voor een eigen schuld valt niet onder het verbod van lid 1. Ook vereist 'voor zover de statuten dit toestaan' geen uitdrukkelijke statutaire bepaling. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Ik meen dat op de strenge, letterlijke uitleg van artikel 2:207c lid 1 het en ander is af te dingen. Wanneer de vennootschap zekerheid stelt tot versterking van een schuld die een derde aangaat om aandelen in de vennootschap te kunnen verwerven, dan wordt het vermogen van de vennootschap belast zonder dat daar enige verkrijging voor de vennootschap van eigen middelen tegenover staat. Dat is anders wanneer de vennootschap een zekerheid voor een eigen schuld stelt. Het vermogen van vennootschap blijft in stand. De vennootschap krijgt via de inlening nieuw vermogen. Daartegenover staat de zekerheidstelling. Wel wordt er uiteraard vervolgens doorgeleend aan degene die aandelen in de vennootschap wil verwerven. Opgemerkt moet ook worden dat de verwerver van de aandelen zelf niets te maken heeft met de door de vennootschap aan de bank verstrekte zekerheidstelling voor de door de vennootschap opgenomen lening. De verwerver staat buiten deze zekerheidstelling. Tussen beide situaties is dus enig verschil. In het verlengde hiervan wil ik op nog iets anders wijzen: in geval de vennootschap zekerheid verschaft voor een schuld van een derde die de aandelenverwerving met deze schuld financiert, profiteert deze derde rechtstreeks van de zekerheidsverschaffing. Dat is echter niet het geval, wanneer de vennootschap een lening bij een bank opneemt, daarvoor zekerheid aan de bank verschaft en het bedrag van de lening vervolgens aan de derde doorleent. Ook op dit punt is er dus verschil tussen […]”

r.o. 3.21

“Ook ik sluit mij aan bij de soepele opvatting. Men mag m.i. aannemen dat leningen met het oog op het verkrijgen van aandelen volgens de statuten toegestaan zijn, als in de statuten van de desbetreffende vennootschap geen aanwijzing gevonden kan worden dat de statuten dergelijke leningen niet willen toestaan. M.i. is dit een redelijke uitleg van de in artikel 2:207c, lid 2 voorkomende woorden "voor zover de statuten dit toestaan". Het stellen van een verdergaand vereiste mist m.i. redelijke zin. Het is mij onduidelijk welk belang de wetgever zou hebben willen dienen met het voorschrift van een uitdrukkelijke, expliciete toestemming in de statuten. Tegen deze achtergrond is het m.i. niet onjuist toestaan te begrijpen als niet-verbieden. De klachten 3.32 Na het voorgaande kan ik kort zijn in de behandeling van de afzonderlijke onderdelen van het cassatiemiddel. De onderdelen 1.1., 1.3 en 2.1. bevatten geen klachten. Deze blijven verder buiten beschouwing. 3.33 In onderdeel 1.2 van het cassatiemiddel wordt gesteld dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door artikel 2:207c soepel uit te leggen. Ik meen dat de tekst van artikel 2:207c voldoende ruimte biedt voor de door het hof in r.o. 7, 7.1 en 7.2 voorgestane soepele uitleg van artikel 2:207c. Ik verwijs ook naar de in deze conclusie onder 3.21 en 3.22 aangevoerde inhoudelijke bezwaren tegen de door het middelonderdeel aangehangen strenge uitleg van artikel 2:207c. Om deze reden dient dit middelonderdeel niet […]”

r.o. 3.31

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2004:AO1962
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
7 mei 2004
Datum publicatie
7 mei 2004
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:207c BW, 2:98c BW, 2:205 BW, 2:207 BW, 2:216 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 19 van 2004

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.