Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 januari 2005
Informatierecht van faillissementscrediteuren; aandeelhoudersinformatie ter vergelijking
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
De zaak gaat over de vraag hoeveel informatie individuele crediteuren in een faillissement van de curatoren mogen verlangen, onder meer op grond van het inzagerecht van artikel 3:15j BW. Boek 2 speelt slechts een bijrol: de informatieplicht van het bestuur jegens aandeelhouders (artikelen 2:107 en 2:217 BW) wordt als vergelijkingsmaatstaf gebruikt voor de reikwijdte van de informatieplicht van de curator.
Kernoverweging
“Voor de uitgebreide discussies over dit onderwerp zijn illustratieve bronnen de artikelen van Klaassen, NJB 2002, p. 1450 e.v.; Von Schmidt auf Altenstadt, TCR 2002, p. 8 e.v.; Bannier, Advocatenblad 2002, p. 296 e.v. 26 Anders Van Der Heijden, Insolventie en rechtspersoon, 1996, p. 38 (zie ook p. 53) - waar intussen de iure constituendo een ruime "informatieplicht" van de curator wordt bepleit. 27 Rechtspersonen (losbl.), Schwarz, art. 107, aant. 5; Asser - Maeijer 2 - III, 2000, nr. 256; Sanders - Westbroek, BV en NV, 1998, nr. 4.15; Van der Heijden - Van der Grinten, Handboek voor de Naamloze en de Besloten Vennootschap, 1992, nr. 203.1. Beperkter: Van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 2003, nr. 64 (p. 179). 28 (Geen) inzage in de administratie: Van der Heijden - Van der Grinten, a.w. nrs. 67 en 203.1. HR 9 oktober 1942, NJ 1942, 821 komt tot een andere uitkomst; maar de wettekst waar (de motivering van) deze beslissing vooral op berust geldt - sedert lang - niet meer. Ik neem daarom aan dat deze beslissing als achterhaald moet worden beschouwd, zie ook Asser - Maeijer 2 - III, 2000, nr. 47; Rechtspersonen (losbl.), Huizink, art. 10, aant. 7, met verdere bronvermeldingen. 29 In verschillende zin: Van der Heijden - Van der Grinten t.a.p.; Sanders - Westbroek t.a.p.; aarzelend: Asser - Maeijer 2 - III, 2000, t.a.p. 30 De belangen van werknemers (laat staan: die van een ondernemingsraad) bij "hun" bedrijf, verschillen inhoudelijk niet onaanzienlijk van die van […]”
r.o. 25