Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 21 januari 2005
Geschillenregeling: deskundigenbenoeming bij prijsvaststelling aandelen A mag achterwege blijven
- Geschillenregeling
- Enquêterecht
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een zaak over de geschillenregeling beveelt de rechter een aandeelhouder zijn aandelen A in een besloten vennootschap over te dragen tegen de nominale waarde, zonder deskundigenbenoeming. De A-G concludeert dat artikel 2:339 lid 1 BW dwingend een deskundige voorschrijft, maar dat dit in dit uitzonderlijke geval buiten toepassing mag blijven. Daarom strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Uit de wettekst en de toelichting blijkt dat de rechter een of drie deskundigen moet benoemen; anders dan bij de uitkoopregeling, waarin art. 2:201a lid 5 bepaalt dat de rechter kan bevelen dat een of drie deskundigen berichten over de waarde van de aandelen, is de benoeming van deskundigen in de geschillenregeling dwingend voorgeschreven. Ook de tekst van en de toelichting bij art. 2:340 lid 1 wijzen in die richting. 2.8 De Ondernemingskamer heeft in 2000 geoordeeld dat zij de benoeming van deskundigen achterwege kan laten en in overeenstemming met de bedoeling van partijen zelf de waarde van de aandelen kan vaststellen.(9) De JOR-annotator meent dat artikel 2:339 lid 1 BW de benoeming van een deskundige imperatief bepaalt; de handelwijze van de Ondernemingskamer die het verplichte deskundigenbericht oversloeg, is niet met de huidige wettekst te verenigen, doch hij vindt deze wel praktisch. Hij wijst er daarbij op dat de prijsvaststelling op basis van de stellingen van partijen door de Ondernemingskamer vaststond en het advies van de deskundige, waaraan de rechter niet gebonden is, daaraan niets zou hebben kunnen veranderen. Ook brengt de annotator nog onder de aandacht dat onder de Belgische geschillenregeling die van de Nederlandse regeling is afgeleid de rechter bevoegd is de prijs van de aandelen zonder deskundigenbericht te bepalen, als hij meent dat hij daartoe over voldoende gegevens beschikt. 2.9 Van belang voor de beoordeling van het eerste cassatiemiddel is naast […]”
r.o. 2.7
“Van belang voor de beoordeling van het eerste cassatiemiddel is naast het al ge noemde artikel 2: 339, lid 1 BW mijns inziens ook artikel 2: 339, lid 3 BW. Dit artikellid bepaalt het volgende: "De deskundigen stellen hun bericht op met inachtneming van hetgeen omtrent de vaststelling van de waarde van de aandelen in de blokkeringsregeling is bepaald". Dit artikellid verwijst de deskundigen naar hetgeen over waardebepaling van niet-vrij overdraagbare aandelen in de statutaire blokkeringsregeling is bepaald. Ik merk bij dit artikellid op dat, alhoewel de rechter, zoals al gezegd, op grond van artikel 2: 340, lid 1 BW een zekere vrijheid heeft af te wijken van de door de deskundigen bepaalde waarde, het in de rede ligt dat ook hij het voorschrift van artikel 2: 339, lid 3 BW zoveel mogelijk volgt. Als men hiervan niet zou uitgaan, zou het voorschrift van artikel 2: 339, lid 3 BW wel heel weinig betekenis hebben. Ik word in deze gedachte gesterkt door hetgeen Maeijer schrijft over het doel van artikel 2: 339, lid 3 schrijft: "De gedachte is dat men bij gedwongen overdracht dezelfde prijs dient te verkrijgen als bij vrijwillige vervreemding" (10). Men moet - anders gezegd - door het in het leven roepen van een geschilsituatie geen kans op hogere prijs dan de uit de statuten voortvloeiende prijs kunnen afdwingen. 2.10 In het ook door de Ondernemingskamer geciteerde artikel 10, lid 5 van de statuten van Beheer is het volgende bepaald over de prijsbepaling van aandelen die een […]”
r.o. 2.9
“Uitgaande van (het doel van) artikel 2:339, lid 3 BW en de in dit geval toe te passen statutaire bepalingen inzake de waardering van aandelen A komt het mij niet onbegrijpelijk voor dat de Ondernemingskamer in rov. 4.14 van zijn bestreden arrest in navolging van de rechtbank heeft beslist dat de prijs voor de aandelen A op geen ander bedrag kan worden vastgesteld dan het bedrag van de nominale waarde. Tegen deze achtergrond vind ik het niet onjuist dat de Ondernemingskamer vervolgens heeft beslist dat in het onderhavige geval toepassing van het dwingende artikel 2: 339, lid 1 BW voor de bepaling van de waarde van de aandelen A geen redelijke zin heeft en daarom buiten beschouwing mag blijven. Ik wijs er met nadruk op dat ik met het eerste cassatiemiddel eens ben dat artikel 2: 339, lid 1 BW een verplicht deskundigenrapport voorschrijft. Dit neemt niet weg dat in een uitzonderlijk geval als het onderhavige zo'n dwingende wetsbepaling mijns inziens buiten toepassing mag blijven, als toepassing ervan evident geen redelijke zin heeft. Zo'n geval doet zich hier mijns inziens voor. De vergelijking die in onderdeel 3.13 van de schriftelijke toelichting van Senior wordt gemaakt tussen het verplichte deskundigenrapport bij de geschillenregeling en het verplichte onderzoek in de enqueteprocedure gaat niet op, omdat het verplichte deskundigenbericht in het kader van de geschillenregeling in mindere mate een spilfunctie heeft dan het verplichte onderzoek bij een enquêteprocedure. 2.13 […]”
r.o. 2.12