Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 15 april 2005
Einde arbeidsovereenkomst bij ontslagname statutair bestuurder (cassatie in het belang der wet)
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een statutair bestuurder van een besloten vennootschap legt zijn functie neer en wil als werknemer in dienst blijven. In cassatie in het belang der wet betoogt de Procureur-Generaal dat ontslagname door de bestuurder op grond van artikel 2:244 BW in beginsel zowel de vennootschapsrechtelijke als de arbeidsrechtelijke relatie beëindigt, tenzij een wettelijk beletsel bestaat. Hij concludeert daarom tot vernietiging van het kortgedingvonnis dat het tegendeel aannam.
Kernoverwegingen
“Uit deze bepaling volgt niet zonder meer dat een ontslagbesluit altijd een einde maakt aan de hiervoor genoemde dubbele rechtsbetrekking tussen bestuurder en vennootschap; het verlies van de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap brengt in ieder geval mee dat hij geen van de aan deze hoedanigheid verbonden bevoegdheden meer kan uitoefenen. Daarnaast zou ik op grond van de wetsgeschiedenis willen aannemen dat een ontslag van een bestuurder in de zin van art. 2: 244, lid 1 BW in beginsel het arbeidsrechtelijke ontslag omvat. Ik verwijs naar mijn conclusie bij C04/044. Op deze niet voor tweeerlei uitleg vatbare wetsgeschiedenis kom ik in onderdeel 2.9 van deze conclusie terug. Van belang is ook erop te wijzen dat het antwoord op de vraag naar de gevolgen van een ontslag in de zin van art. 2: 244, lid 1 BW voor de arbeidsovereenkomst tussen vennootschap en bestuurder mede moet worden gevonden in de relevante wettelijke bepalingen van het arbeidsrecht voorzover Boek 2 BW deze bepalingen niet uitdrukkelijk terzijde stelt. In die zin overwoog de Hoge Raad in het arrest HR 13 november 1992, NJ 1993, 265 m.nt. PAS. De Hoge Raad oordeelde in dit zogenaamde Levison/MAB-arrest, waarin een arbeidsongeschikte statutair directeur werd ontslagen en diens arbeidsovereenkomst werd opgezegd, dat de bestuurder/werknemer aan het bijzondere opzegverbod bij ziekte dat in art. 7A:1639h lid 3 (oud) BW was geregeld ontslagbescherming kan ontlenen. Men zou kunnen zeggen dat een wettelijk […]”
r.o. 2.7
“Zoals het uitgangspunt is dat een ontslagbesluit door de aandeelhoudersvergadering een beeindiging van de vennootschapsrechtelijke en de arbeidsrechtelijke relatie inhoudt, zo dient omgekeerd te gelden dat een ontslagname door de bestuurder in beginsel niet anders kan inhouden dat daarmee zowel de vennootschappelijke als de arbeidsrechtelijke relaties eindigt tenzij er wettelijke beletselen gelden. Van der Grinten betoogt dan ook dat de bestuurder die opzegt de gehele relatie doet eindigen. De opzeggende partij kan zijns inziens niet het bestuurderschap afsplitsen van de arbeidsovereenkomst, het bestuurderschap beëindigen doch de arbeidsovereenkomst in stand houden. Hij meent mijns inziens terecht dat er aldus redenerend geen strijd ontstaat met het hierboven geciteerde Levinson/MAB-arrest. Hij merkt in dit verband op: "De oplossing die de Hoge Raad bij de ontslagverboden van het BBA(15) aanvaardt, is een splitsing van rechtswege, niet een splitsing krachtens partijwil." 2.14 Het door de bestuurder eenzijdig kunnen afsplitsen van zijn arbeidsovereenkomst van zijn rol van bestuurder heeft diverse onwenselijke gevolgen. Hij zou dan immers geen bestuurder meer zijn, maar slechts gewoon werknemer maar dan weer wel met het salaris van een bestuurder en met onduidelijkheid over de door hem te verrichten werkzaamheden. Dit zou neerkomen op een mijns inziens ontoelaatbare eenzijdige wijziging van zijn rechtsverhouding met zijn venootschap. Om deze reden hoeft een vennootschap -zo […]”
r.o. 2.13
“Het door de bestuurder eenzijdig kunnen afsplitsen van zijn arbeidsovereenkomst van zijn rol van bestuurder heeft diverse onwenselijke gevolgen. Hij zou dan immers geen bestuurder meer zijn, maar slechts gewoon werknemer maar dan weer wel met het salaris van een bestuurder en met onduidelijkheid over de door hem te verrichten werkzaamheden. Dit zou neerkomen op een mijns inziens ontoelaatbare eenzijdige wijziging van zijn rechtsverhouding met zijn venootschap. Om deze reden hoeft een vennootschap -zo zou ik willen aannnemen- niet in te gaan op het "aanbod" van de bestuurder om zijn bestuurderschap te beeindigen met instandhouding van zijn arbeidsovereenkomst. Verburg merkt mijns inziens terecht op: "De vennootschap is niet gehouden daarop in te gaan. Dat zou slechts onder bijzondere omstandigheden anders kunnen liggen, bij voorbeeld in de omstandigheid dat de rol van de betrokken directeur en het bewuste bestuurderschap toch al min of meer gescheiden levens leiden (denk binnen concernverband aan de situatie dat een lid van het senior management tevens in formele zin het bestuurderschap vervult van een dochtervennootschap, zonder dit bestuurderschap enig relevant tijdsbeslag vergt)(16). Of moet het neerleggen van het bestuurderschap als ongeoorloofd werkverzuim worden beschouwd met het gevolg dat de vennootschap de loonbetaling mag staken (art. 7: 627 BW)? Ik vind een bevestigende beantwoording van deze vraag nogal gekunsteld overkomen. Dit mijnenveld wordt vermeden, als men […]”
r.o. 2.14