← Week 24

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 17 juni 2005

Conclusie: bestuurder en holding persoonlijk aansprakelijk voor onnakombare ontbindingsvergoeding bv

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een voormalige werkneemster vordert van de bestuurder en de holding (tevens bestuurder en enig aandeelhouder van de werkgever-bv) betaling van een bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst toegekende vergoeding. Het hof achtte hen persoonlijk aansprakelijk uit onrechtmatige daad, omdat zij de bv een verplichting lieten aangaan waarvan zij wisten of behoorden te weten dat die niet nagekomen kon worden. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Het middel dient mijns inziens niet te slagen. Ik begrijp r.o. 5.7 en 5.8 van het bestreden arrest als volgt: [eiseres 1] en [eiser 2] hebben bij het overeenkomen van een bepaalde schikking die in de later nog weer gerectificeerde beschikking van de rechtbank van 13 oktober 1998 is neergelegd een b.v., te weten de Hypotheekshop, als wederpartij van [verweerster] doen optreden waarvan zij wisten dan wel behoorden te weten dat deze als gevolg van het onderbrengen van haar bedrijfsactiviteiten elders niet in staat zou zijn de bij de desbetreffende schikking aangegane en in een beschikking van de kantonrechter neergelegde verplichting jegens [verweerster] te voldoen. Het hof heeft overwogen dat een dergelijk handelen jegens [verweerster] als een verwijtbaar onrechtmatig handelen dient te gelden. Hiermee geeft het hof naar mijn mening aan dat [eiseres 1] en [eiser 2] van dit handelen een "voldoende ernstig persoonlijk verwijt" gemaakt kan worden, zoals het middel verlangt. De omstandigheid dat het verzoek tot het vaststellen van een vergoeding van [verweerster] zelf afkomstig was, de omstandigheid dat de Hypotheekshop op het moment van contracteren geen openstaande financiële verplichtingen jegens [verweerster] had en de druk die [eiseres 1] en [eiser 2] door de betrokken kantonrechter en [verweerster] op zich uitgeoefend voelden, kunnen geen afbreuk doen aan de eigen verantwoordelijkheid die op [eiseres 1] en [eiser 2] rust om ervoor zorg te dragen dat er geen verplichting […]”

r.o. 3.2

“Ook dit onderdeel slaagt niet. De door het hof in ro. 5.8 van zijn bestreden arrest aangenomen onrechtmatigheid is gelegen in het door [eiseres 1] en [eiser 2] op de Hypotheekshop doen leggen van een verplichting met het besef dat de Hypotheekshop deze verplichting niet kan nakomen, nadat haar bedrijfsactiviteiten waren overgeplaatst en niet, zoals het middel kennelijk veronderstelt, in het frustreren van de verhaalsmogelijkheden van [verweerster]. Het hof heeft een en ander voldoende gemotiveerd inzichtelijk gemaakt in de bestreden rechtsoverwegingen. Hiermee mist het middel feitelijke grondslag. 3.5 Onderdeel 3 noemt 's hofs conclusie in ro. 5.8, dat [eiseres 1] en [eiser 2] elders bedrijfsactiviteiten hebben ondergebracht, onbegrijpelijk inzoverre het hof daartoe mocht zijn gekomen door de constatering, dat de netto omzet in 1997 f.133.520,-- was. Onbegrijpelijk vindt het middelonderdeel dat het hof niet heeft meegewogen althans dat het hof daarvan geen blijk geeft te hebben meegewogen de - in de woorden van het middel - marginale winstresultaten in 1996 en 1997, aangezien beslissingen over herplaatsen van bedrijfsactiviteiten niet alleen op basis van omzetcijfers moeten worden genomen, maar ook op basis van andere omstandigheden, zoals in casu de langdurige afwezigheid van [verweerster]. Zonder nadere motivering is daarom de conclusie dat hier een voldoende ernstig verwijt gemaakt kan worden aan bestuurders vanwege onrechtmatig handelen, niet gerechtvaardigd, mede […]”

r.o. 3.4

“Het middelonderdeel wordt tevergeefs voorgesteld. De kern van het oordeel van het hof is dat De [eiseres 1] en [eiser 2] verwijtbaar onrechtmatig handelden doordat zij de Hypotheekshop een verplichting lieten aangaan, terwijl zij wisten, althans behoorden te weten dat de Hypotheekshop deze verplichting niet kon nakomen. Het hof verwijt betrokkenen niet dat zij bepaalde bedrijfsactiviteiten hebben verplaatst of de Hypotheekshop magere resultaten boekte. 3.7. Onderdeel 4 komt op tegen het door het hof in ro. 5.9 gepasseerde verweer van eisers tot cassatie dat [verweerster] geen schade heeft geleden nu zij hoe dan ook een vordering op de Hypotheekshop zou hebben gekregen. Het middelonderdeel betoogt dat het verweer van afwezigheid van schade door het hof niet gepasseerd had kunnen worden op de grond dat onzeker is of en tot welk bedrag [eiseres 1] en [eiser 2] zouden zijn veroordeeld als zij het verweer hadden gevoerd niet tot betaling in staat te zijn. 3.8 Het middelonderdeel ontbeert feitelijke grondslag, nu het hof in ro. 5.9 verwijzend naar ro. 5.8 benadrukt, dat de Hypotheekshop de verplichting is aangegaan terwijl De [eiseres 1] en [eiser 2] kennelijk in de wetenschap van betalingsonmogelijkheid verkeerden. Hierdoor is voor [verweerster] wel degelijk schade ingetreden. 3.9. Onderdeel 5 noemt onvoldoende duidelijk waarop het hof doelt met zijn verwijzing in de slotzin van ro. 5.9 naar "hetgeen hierboven onder 5.8 is overwogen." Het middelonderdeel stelt dat als het hof […]”

r.o. 3.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2005:AS5103
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
17 juni 2005
Datum publicatie
17 juni 2005
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
beide
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 24 van 2005

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.