Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 september 2005
Bestuurdersbezoldiging, AVA-bevoegdheid en gebondenheid vennootschap aan managementovereenkomst (Antilliaans recht)
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
De conclusie gaat over een vennootschap naar Antilliaans recht die een bestuurder terugbetaling vraagt van een hogere vergoeding dan de algemene vergadering had vastgesteld. De A-G acht de bevoegdheid om de bezoldiging vast te stellen exclusief aan de algemene vergadering toebedeeld, met externe werking naar Antilliaans recht, en vergelijkt dit met artikel 2:245 BW. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“In het licht van de hoofdklacht is het dienstig hier kort aan te geven hoe de problematiek van vertegenwoordigingsbevoegdheid en gebondenheid van de vennootschap aan bestuurdershandelingen in het Antilliaanse vennootschapsrecht ten tijde van deze casus gestalte wordt gegeven. Toepasselijk is het oude WvKNA omdat ten tijde van dit geding het nieuwe nog niet was ingevoerd.(7) Daarin is bepaald dat behoudens beperkingen het bestuur belast is met het beheer van de zaken der vennootschap (art. 103 WvKNA). Indien de oprichtingsakte niet anders bepaalt, is iedere afzonderlijke bestuurder bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen (art. 104 WvKNA), behoudens tegenstrijdig belang. Statutaire bevoegdheidsbeperkingen aan bestuurders gesteld hebben externe werking, d.w.z. de vennootschap mag zich beroepen op de onbevoegdheid van de bestuurder en zal in dat geval niet gebonden zijn.(8) Burgers merkt zelfs op dat alle beperkingen van de bestuursbevoegdheid externe werking hebben.(9) Zoals bekend mag worden verondersteld, gaat het Nederlandse vennootschapsrecht van een andere gedachte uit. Daarin is immers bepaald dat alleen wettelijke bepalingen de vertegenwoordingsbevoegdheid van een bestuurder met werking jegens derden beperken (zie artikel 130/240 BW). 2.2 Artikel 112 WvKNA bepaalt dat, voor zover bij de akte van oprichting niet anders is vastgelegd, de algemene vergadering de bezoldiging vaststelt. Een vergelijkbare bepaling kennen we ook in Nederland. Voor de besloten vennootschap […]”
r.o. 2.1
“Artikel 112 WvKNA bepaalt dat, voor zover bij de akte van oprichting niet anders is vastgelegd, de algemene vergadering de bezoldiging vaststelt. Een vergelijkbare bepaling kennen we ook in Nederland. Voor de besloten vennootschap houdt artikel 2: 245 BW in dat, voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, de bezoldiging van de bestuurders door de algemene vergadering wordt vastgesteld.(10) De artikelen 112 en 245 zijn opvolgers van het oorspronkelijke artikel 48c K dat in 1928 van kracht is geworden. Dat artikel dat aanvankelijk het nummer 49a had is indertijd als volgt toegelicht: "De algemene vergadering van aandeelhouders behoort over het bedrag van het salaris in algemeene vrijheid te kunnen beschikken, voor zover althans de akte dienaangaande niet een bindend voorschrift heeft gegeven"(11). Visser merkt nog op: "De vaststelling der bezoldiging berust in beginsel bij de algemene vergadering"(12). Ik kan in deze wetsgeschiedenis geen vrijheid voor wie dan ook lezen, dat, als de aandeelhoudersvergadering krachtens de haar toekomende bevoegdheid een bezoldiging van een bestuurder heeft vastgesteld, een ander orgaan een daarvan afwijkende bezoldiging mag vaststellen. Dit geldt mijns inziens voor naar Nederlands recht opgerichte b.v.'s, ondanks dat we hier de regel kennen dat het bestuur bij vertegenwoording soms iets anders met een derde kan afspreken dan hij intern bezien mocht. Hier is immers de wettelijke regel van artikel 2: 245 BW in het geding. Deze beperkt de […]”
r.o. 2.2
“Het middelonderdeel faalt. De statuten van [verweerster] bevatten in art. 9 een beperking van de bestuurdersbevoegdheid, en wel o.a. ten aanzien van het vaststellen van de bestuurdersbezoldiging. [Betrokkene 2] was in dat opzicht onbevoegd een besluit te nemen en de vennootschap te vertegenwoordigen bij een uit dien hoofde te sluiten overeenkomst.(13) Een bestuurdersbesluit van [betrokkene 2] dat aan het sluiten van de overeenkomst met ERTCC, vertegenwoordigd door [betrokkene 3], die eveneens op het moment van sluiten van de overeenkomst directeur van [verweerster] was, eventueel mocht zijn voorafgegaan zal daarom als nietig moeten worden bestempeld. Daarmee komt aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 2] voor wat betreft het bepalen van de hoogte van de bezoldiging de grond te ontvallen. Zoals artikel 112 WvKNA een inperking van bestuurshandelingen ex art. 103 WvKNA inhoudt, zo vindt in art. 9 van de statuten het bestuur van [verweerster] zijn handelen beperkt met betrekking tot de bezoldiging van bestuurders. Deze beperking is geconcretiseerd in het besluit van de AVA, dat de bezoldiging Naf.25.000,-- per maand bedroeg. 2.5 Subonderdeel 1.2 klaagt, - onder verwijzing naar HR 17 december 1982, NJ 1983/480 - dat het hof heeft miskend, dat een bevoegdheidsbeperking van een directeur, wil deze beperking externe werking hebben, krachtens art. 103 WvKNA slechts mogelijk is bij of krachtens de oprichtingsakte en niet bij besluit van de AVA, waarbij geen verschil […]”
r.o. 2.4