Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 14 oktober 2005
Bestuurdersaansprakelijkheid voor belastingschulden: kennelijk onbehoorlijk bestuur, causaal verband en bewijslast
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een ontvanger houdt de bestuurder van een failliete vennootschap op grond van artikel 36 Invorderingswet 1990 aansprakelijk voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur, een begrip dat nauw verwant is aan artikel 2:138 en 2:248 BW. De A-G concludeert dat verweten gedragingen in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld en dat het causaal verband het geheel van het onbehoorlijk bestuur betreft. De omkeringsregel past volgens hem niet in de bewijslastverdeling van artikel 36. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Het hof heeft in rov. 4.8 geoordeeld dat géén van de door de Ontvanger gestelde, maar door de rechtbank buiten beschouwing gelaten aspecten (naar het hof kennelijk heeft bedoeld: op zichzelf genomen) kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert en dat aan die aspecten "derhalve" ook in combinatie met andere factoren, dan wel in het kader van het causaal verband, geen gewicht kan toekomen. Dit oordeel getuigt naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het een beoordeling van op zichzelf niet als kennelijk onbehoorlijk bestuur kwalificerende gedragingen in onderlinge samenhang met andere gedragingen uitsluit. Een handelen (of nalaten) dat op zichzelf niet als kennelijk onbehoorlijk bestuur kan worden aangemerkt, kan in samenhang met andere gedragingen (of ander nalaten) immers wel degelijk kennelijk onbehoorlijk bestuur impliceren. Zulke andere gedragingen (of zulk ander nalaten) maken immers deel uit van het feitencomplex dat, naar in de parlementaire geschiedenis van de misbruikwetgeving ligt besloten, in zijn geheel bij de beoordeling of van kennelijk onbehoorlijk bestuur sprake is, moet worden betrokken. Tegen een geïsoleerde beschouwing van de verschillende elementen van het verweten, kennelijk onbehoorlijk bestuur pleit voorts de bij de parlementaire behandeling van de misbruikwetgeving wel getroffen vergelijking met de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW. Ook bij de beoordeling of van een schending van die zorgvuldigheidsnorm sprake is, zullen alle […]”
r.o. 2.5
“Bij de beoordeling van het onderdeel stel ik voorop dat naar mijn mening in de weloverwogen differentiatie die de wetgever in art. 36 Iw1990 in de bewijspositie van de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft aangebracht, al naar gelang het lichaam wel of niet (op juiste wijze) aan de meldingsplicht van lid 2 heeft voldaan, besloten ligt dat in het geval dat op juiste wijze aan die plicht is voldaan (en anders dan wanneer die plicht niet naar behoren is nagekomen) het wel degelijk in beginsel aan de Ontvanger is de verweten gedraging en het verband tussen die gedraging en het niet betalen van de betrokken belastingschuld aannemelijk te maken. Ook de Leidraad Invordering 1990(18) en de literatuur(19) gaan daarvan uit. Daarmee is op zichzelf niet onverenigbaar dat, naar in de wetsgeschiedenis(20) ligt besloten, de rechter enige vrijheid heeft om, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, de bewijslast naar billijkheid te verdelen. Naar ik meen, mist de rechtsklacht van het onderdeel overigens feitelijke grondslag, voor zover zij ervan uitgaat dat het hof zich in rov. 4.10 (uitsluitend) door het in beginsel geldende uitgangspunt dat de Ontvanger, in het geval van betwisting, het causaal verband tussen het aan de bestuurder verweten gedrag en het niet-betalen van de belastingschuld aannemelijk dient te maken, heeft laten leiden. Weliswaar zou de eerste volzin van rov. 4.10 (en in het bijzonder de zinsnede "op grond van artikel 36 IW (in verbinding met artikel 16 […]”
r.o. 2.15
“De rechtsklacht van het onderdeel dient naar mijn mening te falen, reeds omdat toepassing van de omkeringsregel (die ertoe zou leiden dat de Ontvanger na een correcte melding van de betalingsonmacht in beginsel ermee zou kunnen volstaan aannemelijk te maken dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur sprake is geweest) in strijd zou zijn met de zorgvuldig gebalanceerde en gedifferentieerde bewijslastverdeling in art. 36 Iw90 en de daarmee beoogde bewijspositie van de bestuurder, ten aanzien van wie na een correcte melding van de betalingsonmacht (en anders dan wanneer zodanige melding niet heeft plaatsgehad) immers niet wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten. Ook overigens leent de omkeringsregel zich mijns inziens niet voor toepassing binnen het kader van art. 36 lid 3 Iw90. Dat art. 36 lid 3 Iw90 zekere consequenties verbindt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur voor zover dit het niet betalen van belastingschulden tot gevolg heeft, impliceert niet dat de norm dat de bestuurder zich van onbehoorlijk bestuur dient te onthouden, er specifiek toe zou strekken te voorkomen dat (belasting)schulden onbetaald blijven. De bedoelde norm strekt niet specifiek tot bescherming van de belangen van de fiscus (of ruimer: van de crediteuren van het lichaam) bij betaling van zijn (c.q. hun) vorderingen, maar, meer in het algemeen, tot bescherming van de belangen van het lichaam zelf en van al diegenen die op enigerlei wijze bij het lichaam zijn betrokken of daarmee van doen […]”
r.o. 2.18