Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 16 september 2005
Curator mag voor individuele schuldeisers bestuurder aanspreken uit onrechtmatige daad (conclusie)
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een curator vordert van de bestuurder en enig aandeelhouder van een failliete bv schadevergoeding uit onrechtmatige daad, omdat die de onderneming liet doordraaien om zijn eigen borgstelling te beschermen. In cassatie is de vraag of de curator ook voor individuele schuldeisers mag optreden. De A-G meent van wel, omdat toewijzing de verdeelbare boedel ten goede komt aan de gezamenlijke schuldeisers. Ook acht hij het oordeel over de schade niet onbegrijpelijk en concludeert hij tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Vooropgesteld dient te worden dat de ontvankelijkheid van de curator waartegen het middel opkomt, betrekking heeft op de vorderingen die zijn ontstaan tussen 31 juli 1998 en de datum van het faillissement, daarvan uitgezonderd de vordering van Lisv, tot inning waarvan het hof de curator voldoende gemachtigd achtte en tegen welk oordeel geen klachten zijn gericht. In concreto gaat het om vorderingen uit huur- en leaseovereenkomsten over de maand augustus. De curator was kennelijk door deze schuldeisers niet gemachtigd een onrechtmatige daadsactie tegen de bestuurder van de failliet in te stellen. Beantwoord moet de vraag worden, of de curator die vordering ten behoeve van deze individuele crediteuren kan instellen. Met andere woorden: "Blijft de curator door zo te handelen binnen de grenzen die art. 68 Fw aan zijn taak stelt?" 2.5 Ik meen dat het middel tevergeefs wordt voorgesteld. Mijns inziens heeft het hof terecht overwogen dat het instellen van een onrechtmatige daadsvordering ten behoeve van een individuele crediteur tot de taak van een curator kan worden gerekend, omdat bij toewijzing ervan een bedrag aan vorderingen zal wegvallen met het gevolg dat er een groter bedrag ter verdeling onder de gezamenlijke schuldeisers zal overblijven. Ter motivering van de juistheid van deze benadering wijs ik op het volgende: Over de mogelijkheid voor de curator om voor schuldeisers op te treden heeft de Hoge Raad in de loop van de tijd diverse uitspraken gedaan. Het ging daar kort […]”
r.o. 2.4
“Ik meen dat het middel tevergeefs wordt voorgesteld. Mijns inziens heeft het hof terecht overwogen dat het instellen van een onrechtmatige daadsvordering ten behoeve van een individuele crediteur tot de taak van een curator kan worden gerekend, omdat bij toewijzing ervan een bedrag aan vorderingen zal wegvallen met het gevolg dat er een groter bedrag ter verdeling onder de gezamenlijke schuldeisers zal overblijven. Ter motivering van de juistheid van deze benadering wijs ik op het volgende: Over de mogelijkheid voor de curator om voor schuldeisers op te treden heeft de Hoge Raad in de loop van de tijd diverse uitspraken gedaan. Het ging daar kort gezegd steeds om gevallen waarin een derde door een bepaald handelen (bij voorbeeld het onttrekken van vermogen aan vennootschap(5) of het onzorgvuldig verrichten van bepaalde handelingen waarbij de vennootschap partij is(6)) voor de gezamenlijke crediteuren van de vennootschap nadeel heeft veroorzaakt. De Hoge Raad heeft in dit soort gevallen de curator bevoegd geacht voor de belangen van de crediteuren van de failliete vennootschap op te komen. Aantekening verdient nog dat de Hoge Raad in het arrest uit 1991 overwoog: "Er is geen grond hierop een uitzondering te maken voor het ....geval dat de vorderingen die ten tijde van de benadelingshandeling reeds bestonden voor het faillissement zijn voldaan, zodat de benadeling in feite alleen de schuldeisers raakt wier vorderingen pas na die handeling zijn ontstaan". In het onderhavige […]”
r.o. 2.5
“Het hof heeft in r.o. 4.27 als grond van het onrechtmatig handelen van [eiser] heeft aangenomen dat hij zijn onderneming in de maand augustus 1998 heeft laten 'doordraaien', terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar - wegens dat doordraaien nieuw te maken of verder oplopende - verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de ten gevolge van de wanprestatie te lijden schade; voorts dat dit doordraaien uitsluitend geschiedde in het belang van [eiser], namelijk om te voorkomen dat hij onder de borgstelling bij de Bank zou worden aangesproken. Het hof verwijt [eiser] dus dat deze zijn bedrijf heeft laten doordraaien teneinde eigen belangen te behartigen met verwaarlozing van belangen van een aantal crediteuren waarvan de vorderingen na 31 juli 1998 zijn opgelopen. Deze door het hof aangenomen grondslag voor het onrechtmatig handelen van [eiser] is in overeenstemming met hetgeen de curator zowel in eerste als tweede instantie heeft aangevoerd.(10) Op basis van dit onrechtmatig handelen wijst het hof een schadebedrag van f. 160.000 toe dat bestaat uit het bedrag van de na 31 juli 1998 opgelopen schulden. Van de zijde van [eiser] is met name aangevoerd dat de toename van deze schulden zich ook zou hebben voorgedaan, als het bedrijf na 31 juli 1998 niet zou zijn voortgezet. Deze stelling zou in de visie van [eiser] in ieder geval toewijzing van een lager bedrag aan schadevergoeding hebben moeten rechtvaardigen. Met deze […]”
r.o. 2.9