Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 9 december 2005
Enquêtekosten bij failliete rechtspersoon: geen boedelschuld, OK onbevoegd inzake zekerheidstelling
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
De OK droeg de curatoren van een failliete vennootschap op zekerheid te stellen voor de kosten van een bevolen enquêteonderzoek, omdat die kosten boedelschuld zouden zijn. Volgens de A-G is dat oordeel in het licht van HR 24 juni 2005 onjuist: de enquêtekosten zijn niet zonder meer boedelschuld en de OK heeft hier geen taak. Hij concludeert tot vernietiging en tot onbevoegdverklaring van de OK.
Kernoverwegingen
“Deze opvatting is recent door de Hoge Raad in haar arrest van 24 juni 2005, R04/109 - na het aanhangig maken van het verzoek tot cassatie in onderhavige zaak - als onjuist aangemerkt: "3.4 De opvatting van de ondernemingskamer dat de kosten als bedoeld in art. 2:350 lid 3 BW zonder meer als boedelschuld hebben te gelden in het faillissement van de rechtspersoon ten aanzien waarvan na zijn faillietverklaring een onderzoek als bedoeld in art. 2:345 BW is bevolen, is onjuist. Noch de tekst van art. 2:350 lid 3 BW noch ook de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling biedt daarvoor enig aanknopingspunt. De door de ondernemingskamer in aanmerking genomen omstandigheid dat de verplichting van de rechtspersoon om die kosten te betalen een rechtstreeks uit de wet voortvloeiend gevolg is van de - ook in geval van het faillissement van de rechtspersoon mogelijke - rechterlijke beslissing dat een onderzoek dient plaats te vinden en de rechterlijke vaststelling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten, brengt evenmin mee dat die verplichting een rechtstreeks uit de wet voortvloeiende boedelschuld is. (...)" De curator kan wel vrijwillig de kosten voor het onderzoek voor rekening van de boedel laten komen. Indien de curator dit weigert staat de weg van art. 69 F. open en kan de rechter-commissaris worden verzocht de curator te bevelen de kosten van het onderzoek te financieren. Hieruit volgt dat de Ondernemingskamer met betrekking tot de vraag of de kosten van […]”
r.o. 2.2
“Beide onderdelen slagen. In het licht van de hiervoor aangehaalde passages uit HR 24 juni 2005, R04/109 behoeft dit nauwelijks enige toelichting. De Hoge Raad oordeelt in dit arrest dat (i) de kosten van een enquête-onderzoek in geval van faillissement van de betreffende rechtspersoon niet zonder meer als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, (ii) de rechter-commissaris middels een verzoek ex art. 69 F. kan worden verzocht de curator te bevelen het onderzoek te bekostigen indien hij daartoe niet vrijwillig bereid is, en (iii) de Ondernemingskamer hier geen taak toekomt. Ik leid hieruit af dat de Ondernemingskamer zich onbevoegd had moeten verklaren naar aanleiding van het verzoek van VEB c.s. op grond van het bepaalde in art. 72 Rv.(3) 2.7 Verweerder in cassatie heeft aangevoerd dat de Ondernemingskamer voor onderhavig verzoek wel bevoegd geacht kan worden nu blijkens vaste rechtspraak(4) als maatstaf heeft te gelden de grondslag van het verzoek zoals dat blijkens het verzoekschrift is gedaan.(5) Aangevoerd wordt dat hetgeen wordt verzocht zijn grondslag heeft in art. 2:350 lid 3 BW en art. 2:349 a BW. Aldus heeft hetgeen gesteld is door verzoekers in het (aanvullende) verzoekschrift betrekking op een zaak als bedoeld in Boek 2 BW, aldus het verweer. 2.8 Dit verweer faalt. Uit het door verweerders aangehaalde leerstuk volgt wel dat in beginsel de grondslag van het verzoek doorslaggevend is maar niet dat enkel de grondslag van hetgeen wordt verzocht van belang is. Zou […]”
r.o. 2.6
“Dit verweer faalt. Uit het door verweerders aangehaalde leerstuk volgt wel dat in beginsel de grondslag van het verzoek doorslaggevend is maar niet dat enkel de grondslag van hetgeen wordt verzocht van belang is. Zou verweerders opvatting juist zijn, dan zou ook in geval op een evident onjuiste grondslag de verkeerde rechter zou worden geadieerd, een rechter zich niet onbevoegd mogen verklaren, hetgeen niet als juist aanvaard kan worden. Ik citeer een opmerking van Minister Korthals: "In het wetsvoorstel is evenmin als in de huidige wet uitgedrukt aan de hand waarvan de rechter zijn absolute bevoegdheid beoordeelt. Naar vaste jurisprudentie beoordeelt de rechter dit in beginsel aan de hand van de vordering of het verzoek zoals de eiser voor verzoeker die heeft geformuleerd. Uiteraard niet in die zin, dat door de stelling dat de kantonrechter bevoegd is, de kantonrechter ook daadwerkelijk bevoegd wordt, maar wel in die zin dat als de eiser stelt dat hij uit hoofde van een arbeidsovereenkomst iets te vorderen heeft, de kantonrechter op grond van die stelling bevoegd is tot beoordeling van de vordering, zelfs als de kantonrechter vervolgens zelf oordeelt dat er van een arbeidsovereenkomst geen sprake was (...)".(6) Ik meen dat het verweer miskent dat blijkens HR 24 juni 2005, R04/109 het verzochte in onderhavig geval geen grondslag in Boek 2 kan hebben. Nu reeds bij voorbaat duidelijk is dat hetgeen door VEB c.s. wordt verzocht nimmer door de Ondernemingskamer zal kunnen worden […]”
r.o. 2.8