Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 3 februari 2006
Ontslagneming statutair directeur beëindigt in beginsel ook de arbeidsovereenkomst
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een statutair directeur van een besloten vennootschap neemt eenzijdig ontslag als bestuurder en wil als gewone werknemer doorwerken. De A-G wijst op het Ciris-arrest: ontslagneming door een statutair bestuurder beëindigt in beginsel ook de dienstbetrekking (artikel 2:134 en 2:244 BW). Een splitsing tussen de vennootschappelijke en arbeidsrechtelijke positie is alleen in uitzonderlijke gevallen aan de orde. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“De cassatiedagvaarding bevat één cassatiemiddel dat bestaat uit vier onderdelen. Alvorens de cassatiemiddelen inhoudelijk te behandelen, bespreek ik eerst de recente arresten van 15 april jl. met betrekking tot dit onderwerp alsmede de verschillende publicaties over deze arresten. Op 15 april jl. heeft de Hoge Raad drie arresten(14) gewezen over de onderhavige problematiek, waarbij het arrest [B]/Ciris (Creative Interactive Television B.V.) voor deze procedure het meest van belang is(15). In de zaak [B]/Ciris had de statutair directeur, [B], eveneens zelf ontslag genomen (als directeur). De raadsman van [B] schreef aan de werkgever, Ciris, bij brief van 13 augustus 2003: "(...) namens cliënt meld ik u wel reeds dat hij zijn ontslag neemt als bestuurder van de vennootschap, één en ander overigens met instandhouding van de arbeidsrechtelijke relatie. Ik verzoek u dan ook om cliënt per ommegaande als bestuurder uit de Kamer van Koophandel uit te schrijven. (...)" [B] werd, in de kort gedingprocedure die hij vervolgens heeft gevoerd tot betaling van achterstallig salaris, tegengeworpen door Ciris dat hij na zijn ontslagname niet meer bij Ciris in dienst was. Voornoemde brief was door de werkgever geïnterpreteerd als een volledige beëindiging van de relatie tussen [B] en Ciris (inclusief een beëindiging van de arbeidsrechtelijke relatie). [B] had geen andere functie dan die van statutair directeur en daaruit had hij nu juist ontslag genomen. De voorzieningenrechter van de […]”
r.o. 2.1
“Deze drie onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. De afwikkeling van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en NH Corporate heeft te maken met het beeindigen van het bestuurderschap door [eiser]. Nu art. 6 van het BBA niet van toepassing is op ontslag van een werknemer die bestuurder is, betekent dit dat toestemming van de CWI voor het arbeidsrechtelijke ontslag niet vereist is. Men kan niet door slechts het bestuurderschap op te geven onder de BBA-vleugels bescherming zoeken (onderdeel 1)(16). De in het tweede onderdeel aangevoerde omstandigheden kunnen hierin geen verandering brengen. Dat [eiser] ten tijde van het AVA-besluit geen statutair bestuurder meer was, doet niet ter zake omdat de betrokken arbeidsovereenkomst in verband stond met het bestuurderschap dat [eiser] bekleedde (onderdeel 2). Het derde onderdeel richt een klacht tegen het oordeel van het hof waarin een verwijzing naar artikel 6 van het BBA is opgenomen. De klacht wekt de suggestie dat deze verwijzing een onduidelijke oorzaak heeft, terwijl het hof kennelijk heeft geoordeeld in reactie op een eerder geuite klacht van [eiser], getuige de aanhef van rechtsoverweging 4.5.2, bladzijde 4, eennalaatste alinea, laatste zin van het bestreden arrest: "(...) Daarvan is door [eiser] (...) de nietigheid ingeroepen bij brief van 17 maart 2004 wegens het ontbreken van toestemming uit hoofde van het BBA. Het hof overweegt dat voor het ontslag van [eiser] als statutair directeur deze toestemming niet was […]”
r.o. 2.3
“De in het vierde middelonderdeel aangevallen overweging van het hof dient begrepen te worden in het licht van hetgeen de Hoge Raad in het Ciris-arrest heeft overwogen: een ontslagneming door de bestuurder kan niet eenzijdig beperkt blijven tot verlies van de hoedanigheid van bestuurder met instandhouding van de dienstbetrekking. Het middelonderdeel dient mijns inziens te falen. Ik maak nog enkele aanvullende opmerkingen waarbij ik nog enige aandacht aan de in 2.6 opgenomen citaten zal besteden. Als het middelonderdeel zou slagen, zou er een onderscheid gemaakt moeten worden tussen werkzaamheden die [eiser] als bestuurder verricht en die welke hij als werknemer verricht. Een dergelijke onderscheid valt mijns inziens doorgaans niet goed te maken en zal tot juridische complicaties en procedures leiden. Het ontslagrecht voor zover dat op een bestuurder betrekking heeft zal daardoor gecompliceerd worden. Bestuursfuncties hebben naar gelang van de soort van vennootschap een nogal uiteenlopende inhoud. Het is goed denkbaar dat bij de ene vennootschap iemand werkzamheden uitsluitend als werknemer verricht, terwijl een ander bij een andere vennootschap min of meer dezelfde werkzaamheden als bestuurder verricht. Op dit punt hebben de betrokken partijen vrijheid hun relatie naar eigen inzicht vorm te geven. Verburg wijst nog op een andere complicatie van het maken van splitsingen: "Mag de bestuurder een deel van zijn taken buiten het bestuurderschap brengen, dan kan hij dat van een […]”
r.o. 2.7