← Week 22

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 2 juni 2006

Persoonlijke aansprakelijkheid enig bestuurder wegens onbetaalde facturen; stelplicht wetenschap onvermogen

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een leverancier vorderde van de enig bestuurder en aandeelhouder van een failliete vennootschap, later diens erfgenamen, betaling van onbetaalde facturen uit onrechtmatige daad. Rechtbank en hof wezen de vordering af omdat onvoldoende was onderbouwd dat de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomsten wist of moest weten dat de vennootschap niet zou kunnen betalen. De A-G acht dit oordeel over de stelplicht niet onbegrijpelijk, omdat de stellingen alleen de algemene financiële situatie betroffen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Na een gemotiveerde betwisting van de feiten waarvoor een partij stelplicht heeft, draagt die partij de bewijslast voor die feiten. Zij zal deze dienen te bewijzen om het rechtsgevolg dat zij inroept te laten intreden (bewijsleveringslast) en zij draagt het risico dat zich realiseert wanneer zij daarin niet slaagt, het zogenaamde bewijsrisico(9). Echter, indien de wederpartij een gedegen gemotiveerd en gedocumenteerd verweer voert, kan van de procespartij met de stelplicht worden verlangd dat hij nadere gegevens aanvoert om zijn stelling geloofwaardig te maken(10). In de onderhavige casus is m.i. deze problematiek aan de orde, alhoewel de stellingen mogelijk niet zozeer onvoldoende geloofwaardig (in de letterlijke betekenis van het woord) zijn als wel dat de stellingen door de procespartij waarop de stelplicht rust -gezien het gevoerde verweer- onvoldoende nader zijn onderbouwd. 2.6 Een niet onbelangrijke vraag is vervolgens in hoeverre deze problematiek in cassatie nog aan de orde kan komen. A-G Mok heeft deze vraag inzake de stelplicht behandeld in zijn conclusie (nr. 4.2.2) voor Hoge Raad 4 december 1992, NJ 1993, 271 (m.nt. Ma)(11): "De beslissing over de vraag of een partij aan zijn stelplicht heeft voldaan, kan volgens vaste rechtspraak, in cassatie niet op haar juistheid worden getoetst (Zie bijv. HR 9 juli 1992, NJ 1992, 713)." Dit betekent dat een dergelijke klacht in cassatie slechts aan de orde zou kunnen komen als motiveringsklacht (zie voor een bespreking […]”

r.o. 2.5

“Zoals hierboven uiteengezet, heeft een procespartij pas aan zijn stelplicht voldaan indien alle feiten zijn gesteld die benodigd zijn voor het intreden van het door hem beoogde rechtsgevolg. De maatstaf die wordt gehanteerd bij de beoordeling van een vordering als deze is dat in beginsel door de eiser in de procedure moet worden gesteld en aannemelijk worden gemaakt (lees: nader met feiten danwel anderszins worden onderbouwd) dat [betrokkene 1] bij het aangaan van de overeenkomsten wist, althans redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de ten gevolge van die wanprestatie door de wederpartij te lijden schade. 3.4 De stellingen van [eiseres] in hoger beroep dat de vennootschap van [betrokkene 1] vanaf eind 1987 permanent in een positie verkeerde dat van enige betaling op facturen nimmer sprake zou kunnen zijn en [betrokkene 1] [eiseres] had moeten en kunnen waarschuwen(14), zodat [eiseres] zich op het voorzetten van de levering had kunnen beraden, miskennen dat moet worden gesteld (en bewezen) dat [betrokkene 1] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst wist, althans redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap zelf niet, althans niet in voldoende mate over financiële middelen beschikte om aan haar verplichtingen uit die overeenkomst te voldoen. De stellingen hebben geen betrekking op de wetenschap van [betrokkene 1] ten tijde […]”

r.o. 3.3

“De stellingen van [eiseres] in hoger beroep dat de vennootschap van [betrokkene 1] vanaf eind 1987 permanent in een positie verkeerde dat van enige betaling op facturen nimmer sprake zou kunnen zijn en [betrokkene 1] [eiseres] had moeten en kunnen waarschuwen(14), zodat [eiseres] zich op het voorzetten van de levering had kunnen beraden, miskennen dat moet worden gesteld (en bewezen) dat [betrokkene 1] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst wist, althans redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap zelf niet, althans niet in voldoende mate over financiële middelen beschikte om aan haar verplichtingen uit die overeenkomst te voldoen. De stellingen hebben geen betrekking op de wetenschap van [betrokkene 1] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, maar hebben slechts betrekking op de algemene financiele situatie waarin de vennootschap van [betrokkene 1] verkeerde voordat deze failliet werd verklaard. De stellingen dat het faillissement bateloos was en in de periode voorafgaand aan het faillissement enige liquiditeit van betekenis ontbrak(15), geven een oordeel over de financiële situatie van de vennootschap van [betrokkene 1] zonder hierin de wetenschap van [betrokkene 1] te betrekken. Het enige dat [eiseres] over de wetenschap van [betrokkene 1] stelt is dat hij zou hebben aangegeven dat er geen vuiltje aan de lucht was en dat facturen gewoon zouden worden betaald. Hiermee is m.i. geen onderbouwing gegeven voor de stelling dat [betrokkene 1] […]”

r.o. 3.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2006:AW6070
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
2 juni 2006
Datum publicatie
2 juni 2006
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 22 van 2006

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.