← Week 25

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 23 juni 2006

Enquête: schending statuten en wet niet per se gegronde redenen voor twijfel aan beleid

  • Enquêterecht
  • Jaarrekening
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een minderheidsaandeelhouder verzocht om een enquête, onder meer omdat jaarrekeningen niet waren vastgesteld en een statutair goedkeuringsvereiste was genegeerd. De OK wees het verzoek af. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieverzoek. Schending van statutaire of wettelijke voorschriften moet worden meegewogen, maar levert niet op voorhand gegronde redenen op om aan een juist beleid te twijfelen. Gezien het discretionaire karakter van artikel 2:350 BW heeft de OK haar oordeel voldoende gemotiveerd.

Kernoverwegingen

“Uit de hiervoor geciteerde overweging valt mijns inziens op te maken dat het feit dat het bestuur een bepaalde (wettelijke of statutaire) norm(10) heeft geschonden niet tot gevolg heeft dat op voorhand dient te worden aangenomen dat sprake is gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Dit laat uiteraard onverlet dat het feit dat het bestuur van een vennootschap dwingendrechtelijke regels negeert, grond kan opleveren voor, of bij kan dragen aan, twijfel aan een juist beleid.(11) 4.10 Het onderdeel tracht steun te vinden in de jurisprudentie over bestuurdersaansprakelijkheid. Het verwijst daarbij naar HR 29 november 2002, NJ 2003, 455 (rov 3.4.5). In deze uitspraak formuleerde de Hoge Raad het uitgangspunt dat het enkele feit dat een bestuurder heeft gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, als een zwaarwegende omstandigheid moet worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van art. 2:9 BW vestigt. 4.11 Ik meen dat genoemde uitspraak het onderdeel niet van de steun kan voorzien die het onderdeel erin tracht te vinden. Ik merk allereerst op dat het door de Hoge Raad aanvaarde uitgangspunt ziet op civielrechtelijke bestuurdersaansprakelijkheid.(12) Voorts dient deze regel te worden begrepen tegen de achtergrond van het maatschappelijke belang dat bestuurders conform de statuten van de rechtspersoon die zij besturen handelen. Het ligt niet voor de hand dit - in het civiele recht - […]”

r.o. 4.9

“Ik meen dat genoemde uitspraak het onderdeel niet van de steun kan voorzien die het onderdeel erin tracht te vinden. Ik merk allereerst op dat het door de Hoge Raad aanvaarde uitgangspunt ziet op civielrechtelijke bestuurdersaansprakelijkheid.(12) Voorts dient deze regel te worden begrepen tegen de achtergrond van het maatschappelijke belang dat bestuurders conform de statuten van de rechtspersoon die zij besturen handelen. Het ligt niet voor de hand dit - in het civiele recht - aanvaarde uitgangspunt voor bestuurdersaansprakelijkheid zonder meer door te trekken naar het enquêterecht. Het moge zo zijn dat het maatschappelijk wenselijk is bestuurders te prikkelen de statuten na te leven door een overtreding van een statutair voorschrift (dat strekt tot bescherming van de vennootschap) als een zwaarwegende omstandigheid aan te merken bij de beoordeling van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Dit doet er niet aan af dat het mijns inziens bepaald niet wenselijk is dat na iedere overtreding van een statutaire bepaling de mogelijkheid van het gelasten van een enquête-onderzoek reëel wordt. Behalve het feit dat doorgaans een andere weg open staat om schendingen van statutaire en/of wettelijke voorschriften te redresseren, verzet ook de strekking van het enquêterecht zich tegen de rechtsopvatting zoals die wordt voorgestaan door het onderdeel. Het enquêterecht is een zwaar middel.(13) Het kan slechts worden aangewend indien daarmee de doeleinden van het enquêterecht - zoals door de […]”

r.o. 4.11

“De ondernemingskamer zal mijns inziens een schending van statutaire (en/of wettelijke) normen door het bestuur in haar beoordeling van het verzoek tot het bevelen van een enquête-onderzoek dienen te betrekken. Een regel dat een dergelijke schending op voorhand dient te worden aangemerkt als een zwaarwegende factor verdraagt zich niet met (i) het discretionaire karakter van de in art. 2:350 lid 1 BW aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid, en (ii) met de strekking van het enquêterecht. 4.13 Ook merk ik op dat bij de beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid een schending van een statutaire bepaling die de rechtspersoon beoogt te beschermen weliswaar als een zwaarwegende omstandigheid dient te worden aangemerkt, maar dat dit onverlet laat dat uitdrukkelijk ook de andere omstandigheden van het geval dienen te worden meegewogen en door de rechter kenbaar in zijn motivering dienen te worden betrokken. Men leze de door het onderdeel aangehaalde rechtsoverweging in zijn geheel: "3.4.5. Onderdeel 2.1 slaagt. Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet in dit verband als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de […]”

r.o. 4.12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2006:AX6615
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
23 juni 2006
Datum publicatie
23 juni 2006
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:350 BW, 2:248 BW, 2:8 BW, 2:9 BW, 2:10 BW, 2:210 BW, 2:394 BW
Thema
Enquêterecht, Jaarrekening, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 25 van 2006

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.