Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 6 oktober 2006
Conclusie: geen persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder voor niet-doorbetaalde gelden aan leverancier
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een crediteur stelt de enige bestuurder van een stichting persoonlijk aansprakelijk omdat voor hem bestemde gelden niet zijn doorbetaald. De A-G acht de stelling dat een bestuurder moet toezien op de bestemming van geoormerkte gelden onjuist, gelet op de paritas creditorum en de terughoudende maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Ik ontleen deze gegevens aan de bij Memorie van Grieven van de kant van [eiseres] overgelegde jaarstukken van SJB. 8 Ik merk in dit verband op dat niet is verduidelijkt hoe [eiseres] in dit opzicht benadeeld zou zijn: er is niet gesteld dat het debetsaldo ten gunste van [eiseres] in de relevante periode belangrijk is opgelopen. Als het zo zou zijn dat er, nadat (volgens [eiseres]) gebleken had moeten zijn dat er onvoldoende verhaal voor de vordering van [eiseres] meer beschikbaar was, nog enige tijd is doorgegaan met het "vooruitschuiven" van de problemen - maar zonder dat de onverhaalbare vordering van [eiseres] verder is opgelopen - valt niet dadelijk in te zien wat [eiseres] daarbij is ingeschoten. In elk geval is niet meteen aannemelijk dat voor het hele debetsaldo zou gelden, dat dat bij tijdige onderkenning van de problemen wel voldaan had kunnen worden, terwijl dat in een later stadium niet meer zo was. 9 Zie wederom de bij Memorie van Grieven van de kant van [eiseres] overgelegde jaarstukken van SJB.”
r.o. 7
“Ik merk in dit verband op dat niet is verduidelijkt hoe [eiseres] in dit opzicht benadeeld zou zijn: er is niet gesteld dat het debetsaldo ten gunste van [eiseres] in de relevante periode belangrijk is opgelopen. Als het zo zou zijn dat er, nadat (volgens [eiseres]) gebleken had moeten zijn dat er onvoldoende verhaal voor de vordering van [eiseres] meer beschikbaar was, nog enige tijd is doorgegaan met het "vooruitschuiven" van de problemen - maar zonder dat de onverhaalbare vordering van [eiseres] verder is opgelopen - valt niet dadelijk in te zien wat [eiseres] daarbij is ingeschoten. In elk geval is niet meteen aannemelijk dat voor het hele debetsaldo zou gelden, dat dat bij tijdige onderkenning van de problemen wel voldaan had kunnen worden, terwijl dat in een later stadium niet meer zo was. 9 Zie wederom de bij Memorie van Grieven van de kant van [eiseres] overgelegde jaarstukken van SJB.”
r.o. 8