← Week 35

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 1 september 2006

Enquête: zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouder en wanbeleid bij dividendbeleid

  • Enquêterecht
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een minderheidsaandeelhouder verzocht de OK wanbeleid vast te stellen omdat jarenlang geen dividend was uitgekeerd; de OK wees dat af. De A-G concludeert in cassatie tot verwerping. Hij acht een actieve opstelling van de aandeelhouder bij het opvragen van informatie van belang en ziet in een eventueel verzuim van een spontane informatieplicht op grond van artikel 2:8 BW niet zonder meer wanbeleid.

Kernoverwegingen

“Tegen het hiervoor onder (ii) aangehaalde oordeel keert zich onderdeel I.3. Het heeft betrekking op de houding van Sirvana tijdens in het bijzonder de aandeelhoudersvergaderingen van EMBA. Ik bespreek dit onderdeel 1.3 als eerste, omdat de houding van Sirvana tijdens de aandeelhoudersvergaderingen mijns inziens van belang is voor de beoordeling van het hele middel I. Het middelonderdeel 1.3 bevat vier subklachten. Deze falen alle nu zij geen van alle de kern raken van het verwijt dat de ondernemingskamer in rechtsoverweging 3.32 Sirvana maakt. Dit houdt in dat een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid wegens het verschaffen van onvoldoende informatie (in casu cijfers over de beschikbaarheid van liquide middelen etc.) niet voor toewijzing vatbaar is, indien de verzoeker niet aantoont dat (herhaaldelijk) is aangedrongen op het verschaffen van deze informatie bij de vennootschap en deze informatie vervolgens niet (in voldoende mate) door de vennootschap is verstrekt. 3.5 Ik ga kort in op de vier subklachten van het onderdeel. Onderdeel I.3.a voert aan dat de ondernemingskamer heeft miskend dat EMBA wist van de gewijzigde zeggenschapsverhouding in Sirvana. Deze klacht faalt mijns inziens bij gebrek aan belang, nu dit niet afdoet aan het feit dat niet is gebleken dat Sirvana om informatie heeft gevraagd die zij niet van EMBA heeft gekregen. Het onderdeel klaagt onder I.3.b dat de Ondernemingskamer van Sirvana een actiever opstelling verlangt, terwijl zij tegelijkertijd […]”

r.o. 3.4

“Ik ga kort in op de vier subklachten van het onderdeel. Onderdeel I.3.a voert aan dat de ondernemingskamer heeft miskend dat EMBA wist van de gewijzigde zeggenschapsverhouding in Sirvana. Deze klacht faalt mijns inziens bij gebrek aan belang, nu dit niet afdoet aan het feit dat niet is gebleken dat Sirvana om informatie heeft gevraagd die zij niet van EMBA heeft gekregen. Het onderdeel klaagt onder I.3.b dat de Ondernemingskamer van Sirvana een actiever opstelling verlangt, terwijl zij tegelijkertijd oordeelt dat EMBA gehouden was informatie uit eigen beweging aan Sirvana te verstrekken. Ik meen dat deze klacht niet opgaat. Ook al zou een vennootschap uit 2:8 BW of enige andere rechtsregel verplicht zijn bepaalde informatie spontaan aan een aandeelhouder, zoals Sirvana, te verschaffen, dan kan een verzuim om aan die plicht te voldoen mijns inziens niet zonder meer de zware kwalificatie wanbeleid dragen. Veel zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Onderdeel 1.3.d noemt in dit verband de volgende omstandigheden. Het betreft hier een situatie met een minderheidsaandeelhouder die jaren achtereen tegenstemt bij het voorstel de winst aan de reserves toe te voegen. Daarbij zijn de verhoudingen binnen de vennootschap aan het verslechteren en is de toelichting op het dividendbeleid in jaarverslagen 'uiterst mager' tot 'zonder meer' mager (aldus de ondernemingskamer). Nu Sirvana op de jaarvergadering wel herhaaldelijk tegen het passeren van dividend stemde, maar daarbij […]”

r.o. 3.5

“Een enquête is een zwaar middel en vormt een grote belasting voor de vennootschap die onderwerp wordt van een enquête-onderzoek. Gezien de belasting die een enquête-onderzoek voor de vennootschap betekent mag van alle bij de vennootschap betrokken partijen worden gevergd dat zij zoveel mogelijk trachten het gelasten van een enquête-onderzoek te voorkomen. Dit brengt mee dat indien een belanghebbende meent dat hem vanwege de vennootschap onvoldoende inlichtingen zijn (of worden) verstrekt, van deze belanghebbende geëist mag worden dat hij zich inspant om deze informatie langs de voor hem openstaande wegen te verkrijgen.(11) 3.9 Omdat de overweging van de ondernemingskamer dat niet is gebleken dat EMBA onvoldoende heeft gereageerd op een verzoek van Sirvana om informatie mijns inziens voldoende draagkrachtig is voor het oordeel dat op dit punt geen sprake kan zijn van wanbeleid, falen ook de overige onderdelen van het eerste onderdeel. De overige onderdelen - die zich richten zich tegen het oordeel dat EMBA ervan uit mocht gaan dat [betrokkene 2] nog steeds Sirvana controleerde - falen bij gebrek aan belang, nu een andere zelfstandig dragende overweging van de ondernemingskamer niet met succes is bestreden. Ik bespreek de overige klachten van het eerste onderdeel ten overvloede. 3.10 Onderdeel I.1.a en onderdeel I.1.b lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De onderdelen voeren aan dat het oordeel van de ondernemingskamer dat EMBA ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 2] […]”

r.o. 3.8

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2006:AX9708
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
1 september 2006
Datum publicatie
1 september 2006
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW, 2:353 BW, 2:355 BW, 2:356 BW
Thema
Enquêterecht, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 35 van 2006

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.