Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 10 november 2006
Vernietiging bestuurdersbenoeming: alleen overheidsrechter bevoegd, niet arbitrage (Antillen)
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een Antilliaanse zaak tussen vier aandeelhouders (samen met de vennootschap) en een vijfde aandeelhouder gaat het om de vraag of de vernietiging van een aandeelhoudersbesluit tot benoeming van een bestuurder aan arbitrage kan worden onderworpen. De A-G acht alleen de overheidsrechter bevoegd, omdat de vraag wie bestuurder is de staat van de rechtspersoon raakt. Ook de uitbreiding van het arbitraal beding naar de vennootschap acht hij onjuist. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“Het gevolg van deze niet voor misverstand vatbare tekst is dat de mogelijk door het hof in het verzoekschrift gelezen vordering tot het terugdraaien van een besluit niet goed verdedigbaar is. Het eerste onderdeel van het verzoekschrift dient te worden begrepen als een verzoek tot vernietiging van een besluit. 2.7 Een vordering tot vernietiging van een besluit van een vennootschap kan, zoals ik al heb opgemerkt, doorgaans uitsluitend door de overheidsrechter worden behandeld. De grond hiervoor is dat een dergelijke vordering de staat van de vennootschap betreft. Dit is de vrijwel unanieme mening in de literatuur(16). De Witt Wijnen verdedigt een genuanceerder standpunt. Hij stelt: "Ik meen ook dat, anders dan bij de ontbinding, de vernietiging of de nietigheid van een besluit niet per definitie de staat van de rechtspersoon betreft".(17) De Witt Wijnen werkt deze opmerking verder niet uit. Kennelijk is De Witt Wijnen van mening dat alleen de overheidsrechter bevoegd is te oordelen over de vernietiging van een besluit van een rechtspersoon, als het betrokken besluit betrekking heeft op de staat van de rechtspersoon. Z.i. bestaat er kennelijk een categorie vennootschappelijke besluiten die niet de staat van de rechtspersoon raken. Ik laat een discussie over het al dan niet bestaan van deze categorie daar. De vraag wie als bestuurder aan een vennootschap leiding geeft behoort zonder twijfel tot vragen betreffende de staat van de rechtspersoon. Er dient voor een ieder steeds […]”
r.o. 2.6
“Een vordering tot vernietiging van een besluit van een vennootschap kan, zoals ik al heb opgemerkt, doorgaans uitsluitend door de overheidsrechter worden behandeld. De grond hiervoor is dat een dergelijke vordering de staat van de vennootschap betreft. Dit is de vrijwel unanieme mening in de literatuur(16). De Witt Wijnen verdedigt een genuanceerder standpunt. Hij stelt: "Ik meen ook dat, anders dan bij de ontbinding, de vernietiging of de nietigheid van een besluit niet per definitie de staat van de rechtspersoon betreft".(17) De Witt Wijnen werkt deze opmerking verder niet uit. Kennelijk is De Witt Wijnen van mening dat alleen de overheidsrechter bevoegd is te oordelen over de vernietiging van een besluit van een rechtspersoon, als het betrokken besluit betrekking heeft op de staat van de rechtspersoon. Z.i. bestaat er kennelijk een categorie vennootschappelijke besluiten die niet de staat van de rechtspersoon raken. Ik laat een discussie over het al dan niet bestaan van deze categorie daar. De vraag wie als bestuurder aan een vennootschap leiding geeft behoort zonder twijfel tot vragen betreffende de staat van de rechtspersoon. Er dient voor een ieder steeds duidelijk te zijn wie de bestuursfunctie in een vennootschap bekleedt. In overeenstemming met de heersende leer meen ik dat alleen de overheidsrechter bevoegd is over een vraag die de staat van de rechtspersoon betreft een uitspraak te doen. Dit betekent dus dat de overheidsrechter dient te oordelen over een vordering […]”
r.o. 2.7
“Het bovenstaande brengt mij tot de conclusie dat het hof zich niet onbevoegd heeft mogen verklaren om van de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot benoeming van Forestry tot bestuurder kennis te nemen. Middel 1.3 dient als gevolg hiervan m.i. te slagen. 2.11 In de kern betoogt middelonderdeel 2 dat het hof aan het tussen verzoekers 1-4 en [verweerder] overeengekomen arbitrale beding derdenwerking jegens Groenselect heeft gegeven. Zo'n derdenwerking van een arbitraal beding is volgens het middel niet toegestaan (zie in het bijzonder de s.t. onder 3.11-3.13). Ik heb mij afgevraagd of het vonnis van het Gemeenschappelijke Hof wel in deze zin opgevat dient te worden. Ik lees in het vonnis van het Gemeenschappelijke Hof geen derdenwerking van een beding, zoals bedoeld in het middelonderdeel en de s.t.. Het hof heeft naar mijn inzicht een andere, meer rechtspersonenrechtelijke redenering dan contractuele derdenwerking van het arbitrale beding gevolgd. 2.12 Ik lees het bestreden vonnis als volgt: Het hof heeft in r.o. 5.2 nogal uitvoerig en nauwgezet het hier geldende arbitrale beding uitgelegd en is tot het oordeel gekomen dat het verzoek aan arbitrage is onderworpen en heeft zich onbevoegd verklaard van het verzoek van aandeelhouders kennis te nemen. Vervolgens heeft het hof in r.o. 5.4 aandacht geschonken aan de positie van Groenselect. Het hof heeft vastgesteld dat de materieelrechtelijke en procesrechtelijke positie van Groenselect en die van verzoekers 1-4 zeer […]”
r.o. 2.10