Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 10 november 2006
Ontslag stichtingsbestuurders wegens wanbeheer; belanghebbende en uitvoerbaarheid bij voorraad (artikel 2:298 BW)
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een stichtingsbestuurder verzocht de rechtbank zijn medebestuurders te ontslaan wegens wanbeheer (artikel 2:298 BW), nadat hij zelf was ontslagen. De A-G concludeert dat een voormalig bestuurder met nauwe betrokkenheid bij het beweerde wanbeheer belanghebbende is. Ook kan een ontslagbeschikking op grond van dit artikel volgens hem uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“Ter inleiding op de behandeling van klacht 2 merk ik het volgende op. Nu de stichting geen toezichtmogelijkheid door leden of aandeelhouders kent, wordt door art. 2:298 BW het toezicht op het bestuur van een stichting aan de rechtbank toevertrouwd. Daartoe bepaalt het eerste lid van art. 2:298 BW dat een bestuurder die: a. iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, of b. niet of niet behoorlijk voldoet aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank, ingevolge het vorige artikel, gegeven bevel, door de rechtbank kan worden ontslagen. Dit kan geschieden op verzoek van het openbaar ministerie of iedere belanghebbende. Krachtens het tweede lid van art. 2:298 BW kan de rechtbank verder, hangende het onderzoek (naar de noodzaak van het ontslag, toevoeging LT), voorlopige voorzieningen in het bestuur treffen en de bestuurder schorsen. Wie nu precies tot de groep van belanghebbenden in de zin van art. 2:298 BW behoort en daarmee een verzoek tot ontslag bij de rechtbank kan indienen, wordt in de wet niet nader aangegeven. Lezing van de literatuur leert dat in de eerste plaats algemeen wordt aangenomen dat de stichting zelf belanghebbende is. Verder wordt geschreven dat de belanghebbende een 'redelijk' of 'direct' belang moet hebben en dat dit al gauw aanwezig zal zijn indien er sprake is van 'een rechtstreekse betrokkenheid bij de stichting' dan wel wanneer iemand door het betreffende optreden van […]”
r.o. 3.4
“Het antwoord op de vraag of de beschikking waarbij een (of meer) stichtingsbestuurder(s) wordt (worden) ontslagen uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, valt niet in art. 2:298 BW te vinden. Zoals klacht 4 terecht stelt, geldt als uitgangspunt dat de bestuurder(s) is (zijn) ontslagen als de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Daarmee is evenwel niet gezegd dat de beschikking niet direct na het wijzen ervan werking kan verkrijgen door haar uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zoals het hof terecht heeft vooropgesteld, geldt op grond van art. 288 Rv als hoofdregel dat de rechter (en jo. art. 362 Rv ook de appèlrechter) een eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren, met of zonder zekerheidstelling. De uitvoerbaar bij voorraad-verklaring kan worden verzocht maar de rechter kan deze ook ambtshalve uitspreken, zie met verwijzingen naar de wetsgeschiedenis: Burgerlijke Rechtsvordering, art. 288 (Schaafsma-Beversluis), aant. 6 alsmede Snijders en Wendels, Civiel appèl 2003, nr. 382. Hoewel dit niet expliciet uit art. 288 Rv volgt, wordt algemeen aangenomen dat (in lijn met hetgeen in art. 233 Rv voor de dagvaardingsprocedure is neergelegd) op de mogelijkheid tot uitvoerbaar bij voorraad-verklaring uitzonderingen bestaan, en wel wanneer de wet anders bepaalt of de aard van de beschikking zich daartegen verzet, zie o.m.: Snijders en Wendels, Civiel appèl 2003, nr. 382; Burgerlijke Rechtsvordering, art. 288 (Schaafsma-Beversluis), aant. 2. Anders dan […]”
r.o. 3.8
“Nu geen van de vier andere door [verzoekers] opgeworpen klachten mijns inziens kunnen slagen en [verzoekers] als gevolg hiervan geen belang hebben bij klacht 5, kan deze klacht 5 niet tot cassatie leiden(12). Ik merk hierbij het volgende op: Ook al zou de Hoge Raad klacht 5 gegrond verklaren, zou de door het bestuur geïnitieerde statutenwijziging van 7 december 2005 die voor wat de strekking gelijk is aan de door het hof bevolen statutenwijziging van kracht blijven. Er is aan het dossier geen enkele aanwijzing te ontlenen dat de statutenwijziging van 7 december 2005 niet geldig is. Dat in stand blijven van de statutenwijziging van 7 december 2005 past ook in de systematiek van art. 2:294 BW. Dat artikel gaat ervan uit dat de rechter alleen een statutenwijziging van een stichting dient tot stand te brengen, als de stichting zelf hiermee nalatig blijft. In het onderhavige geval heeft het bestuur van de stichting het heft na de uitspraak van het hof in handen genomen. De Hoge Raad mag mijns inziens bij beoordelen van een beroep op het ontbreken van belang met ontwikkelingen die zich na de bestreden beschikking hebben voorgedaan rekening houden. 4. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieverzoek. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Het gaat hier om de feiten zoals vastgesteld door het hof in r.o. 1.1 t/m 1.14 van zijn arrest van 28 juni 2005. 2 In het verzoekschrift tot cassatie, p. 4 wordt terecht opgemerkt dat het hof bij wijze van […]”
r.o. 3.10