Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 3 november 2006
Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder voor misleidende teakbrochures en leeggehaald trustfonds
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een stichting, aan wie gedupeerde beleggers in teakaanplant hun vorderingen hadden gecedeerd, stelt de bestuurder en enig aandeelhouder van de bemiddelende vennootschap persoonlijk aansprakelijk wegens misleidend hoge rendementsprognoses en onttrekking van onderhoudsgelden aan een trustfonds. De A-G concludeert dat het hof terecht het uitgangspunt hanteert dat een bestuurder voor handelen van de vennootschap alleen persoonlijk aansprakelijk is bij een persoonlijk (voldoende ernstig) verwijt. Het cassatiemiddel faalt volgens hem, en de conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Kernoverwegingen
“Het middel klaagt erover dat hetgeen het hof in r.o. 5 onder b, r.o. 11 en r.o. 12 heeft overwogen met betrekking tot de aansprakelijkheid van [verweerder] in privé onjuist, onvoldoende, innerlijk tegenstrijdig althans onbegrijpelijk is. In r.o. 5 heeft het hof overwogen dat bij de beoordeling van de grieven I t/m IV het volgende voorop dient te staan: 'b) Volgens [verweerder] noemt de Stichting in haar processtukken steevast zijn naam waar dat BTV moet zijn. Hij heeft terecht benadrukt dat de bestuurder van een vennootschap eerst aansprakelijk kan zijn voor handelen of nalaten van die vennootschap wanneer hem daarvan persoonlijk een (voldoende ernstig) verwijt kan worden gemaakt. De bewijslast van de feiten die deze kwalificatie kunnen dragen, rust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv (nieuw) op de Stichting.' In r.o. 11 heeft het hof overwogen: 'In de brochure van 1992 wordt gesproken over een rendement van 25%, terwijl in de brochure van mei 1994 een jaarlijkse houtopbrengst van gemiddeld 67 m3 per jaar per hectare (= 2 units) en een daarbij behorend rendement van 23% is voorgespiegeld. Deze prognoses waren te hoog, zoals [verweerder] ook erkent (...).' En in de bestreden r.o. 12 heeft het hof geoordeeld: 'Omdat - naar hiervoor is overwogen - beide brochures zijn openbaar gemaakt door BTV, kan de vordering op basis van artikel 6:194 BW, met het daaraan, in het geval de openbaarmaker de inhoud en inkleding van de mededeling geheel of ten dele zelf heeft bepaald of doen […]”
r.o. 2.1
“Wanneer in cassatie veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat het [verweerder] is geweest die de brochures met misleidende prognoses heeft samengesteld en voor openbaarmaking heeft gezorgd,(4) is van belang dat vaststaat dat, zoals het hof in r.o. 5 onder (c) en in het slot van r.o. 8 heeft overwogen, hij deze handelingen voor BTV heeft verricht en daarmee dus heeft gehandeld in zijn hoedanigheid van bestuurder van BTV en niet als privépersoon. Nu de gedraging van bestuurder [verweerder] (een orgaan van de rechtspersoon) in het maatschappelijk verkeer als gedraging van (de rechtspersoon) BTV heeft te gelden, heeft het hof (terecht) geoordeeld dat het openbaar maken van de misleidende brochures op grond van art. 6:194 BW als een onrechtmatige daad van BTV moet worden aangemerkt. Anders gezegd: de onrechtmatige daad van [verweerder] geldt (rechtens) als onrechtmatige daad van BTV. Dit betekent evenwel niet dat daarmee tegelijkertijd vaststaat dat [verweerder] (als privépersoon) aansprakelijk is voor de bedoelde, in het kader van zijn functie verrichte onrechtmatige gedragingen. Zo verliest het middel uit het oog dat naar geldend recht een voor de rechtspersoon handelende natuurlijk persoon slechts onrechtmatig handelt als, gelet op de omstandigheden van het geval, hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt, zie met nadere jurisprudentieverwijzingen: Asser-Kortmann 2-I 2004, nr. 155 e.v.; Asser-Maeijer 2-II 1997, nr. 115 e.v. en Asser-Hartkamp 4-III 2006, nr. 261 e.v.. […]”
r.o. 2.2