← Week 7

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 16 februari 2007

Aandeelhouder en afgeleide schade: aansprakelijkheid interim-bestuurder, artikel 2:8 BW

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

In een advocatenaansprakelijkheidszaak moet worden beoordeeld of een voormalig bestuurder in persoon aansprakelijk was jegens de enig aandeelhouder voor het opzettelijk veroorzaken van het faillissement van de vennootschap. De A-G concludeert dat opzet op benadeling van de vennootschap geen schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens de aandeelhouder oplevert en dat artikel 2:8 BW geen zelfstandige grondslag voor schadevergoeding biedt naast artikel 6:162 BW. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“De vraag die voorligt is of het opzettelijk bewerkstelligen van een faillissement en het dientengevolge waardeloos worden van de aandelen niet alleen onrechtmatig is jegens de vennootschap, maar afzonderlijk daarvan ook valt aan te merken als een schending van een zorgvuldigheidsnorm jegens de aandeelhouder(s) van de vennootschap. In het Poot/ABP-arrest is overwogen dat op zichzelf beschouwd het 'waardeloos maken van aandelen van de vennootschap' nog geen schending van een subjectief recht is van een aandeelhouder: "3.4.3 Anders dan in onderdeel I onder 1 wordt betoogd, kan het "waardeloos maken" van de aandelen door het gestelde veroorzaken van het faillissement, niet worden aangemerkt als een inbreuk op een subjectief recht van Poot, welke inbreuk onrechtmatig zou zijn ook zonder dat een zorgvuldigheidsplicht jegens Poot is geschonden. Een aandeel in een vennootschap is weliswaar een vermogensrecht, doch het toebrengen van schade aan de vennootschap kan, hoezeer het ook een inbreuk op de rechten van de vennootschap oplevert, mede in het licht van het in 3.4.1 overwogene niet tevens worden gezien als een inbreuk op dit - door de aandeelhouder jegens de vennootschap uit te oefenen - vermogensrecht". Ik merk op dat in het geval van Poot/ABP, opzet op benadeling van de vennootschap gesteld noch gebleken was (althans dit was in cassatie niet aan de orde).(9) Volgens A-G Hartkamp zou dit de zaak ook niet hebben veranderd. In zijn conclusie voor dit arrest schreef Hartkamp: […]”

r.o. 4.4

“Resumerend: de opzettelijke benadeling van de vennootschap dient te worden onderscheiden van opzettelijke benadeling van een aandeelhouder. In het eerste geval staat de aandeelhouder met lege handen. In het tweede geval - dat zich naar verwacht mag worden niet snel zal voordoen - lijkt er in beginsel wel enige ruimte te bestaan voor een zelfstandige actie van de aandeelhouder. 4.7 Ik kan in hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd in feitelijke instanties - er wordt een breed samenstel van feiten aangeduid; kort gezegd komt dit erop neer dat [B] willens en wetens op het faillissement van [A] heeft aangestuurd - alleen opzet op de benadeling van [A] lezen. Niet op benadeling van [eiseres]. Wel wil ik aannemen dat benadeling van [eiseres] een voorzienbaar gevolg is van het beweerdelijk opzettelijk aansturen op het faillissement van [A] door [B]. Dit brengt echter nog niet met zich dat de benadeling van [eiseres] ook primair is beoogd door [B]. Voorzienbare benadeling op zichzelf is onvoldoende voor het aannemen van het schenden van een zorgvuldigheidsnorm specifiek jegens [eiseres]. Anders gezegd: Mij is uit de in feitelijke instanties door [eiseres] gepresenteerde feiten niet duidelijk geworden welke specifieke zorgvuldigheidsnorm [B] jegens [eiseres] zou hebben geschonden. Wanprestatie of onrechtmatige gedraging jegens de vennootschap heeft doorgaans (afgeleide) schade voor de aandeelhouders als voorzienbaar gevolg zolang de schade niet is vergoed aan de vennootschap. Indien een […]”

r.o. 4.6

“Ik kan in hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd in feitelijke instanties - er wordt een breed samenstel van feiten aangeduid; kort gezegd komt dit erop neer dat [B] willens en wetens op het faillissement van [A] heeft aangestuurd - alleen opzet op de benadeling van [A] lezen. Niet op benadeling van [eiseres]. Wel wil ik aannemen dat benadeling van [eiseres] een voorzienbaar gevolg is van het beweerdelijk opzettelijk aansturen op het faillissement van [A] door [B]. Dit brengt echter nog niet met zich dat de benadeling van [eiseres] ook primair is beoogd door [B]. Voorzienbare benadeling op zichzelf is onvoldoende voor het aannemen van het schenden van een zorgvuldigheidsnorm specifiek jegens [eiseres]. Anders gezegd: Mij is uit de in feitelijke instanties door [eiseres] gepresenteerde feiten niet duidelijk geworden welke specifieke zorgvuldigheidsnorm [B] jegens [eiseres] zou hebben geschonden. Wanprestatie of onrechtmatige gedraging jegens de vennootschap heeft doorgaans (afgeleide) schade voor de aandeelhouders als voorzienbaar gevolg zolang de schade niet is vergoed aan de vennootschap. Indien een aandeelhouder ook in een dergelijk geval een vorderingsrecht zou toekomen, zou dit ook tot gevolg hebben dat de aandeelhouder zich bij voorrang boven de concurrente crediteuren in het faillissement zouden kunnen verhalen op de schadeveroorzakende derde. Dit zou mijns inziens een onwenselijke doorkruising van het wettelijk systeem betekenen. 4.8 Ik acht het oordeel van het hof niet […]”

r.o. 4.7

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2007:AZ0419
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
16 februari 2007
Datum publicatie
16 februari 2007
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
2:8 BW, 6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Overig Boek 2
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 7 van 2007

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.