Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 2 maart 2007
Samenloop artikel 2:9, 7:661 en 6:162 BW bij aansprakelijkheid oud-bestuurder en werknemers
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een vennootschap sprak haar oud-bestuurder en drie oud-werknemers aan uit onrechtmatige daad wegens heimelijk ontvangen commissies via een buitenlandse vennootschap. Rechtbank en hof wezen af, omdat artikel 2:9 en artikel 7:661 BW een exclusieve bijzondere regeling zouden vormen. De A-G meent dat die uitleg te ver gaat. De gedragingen liggen op de grens van beide bepalingen, zodat ook onrechtmatige daad mogelijk moet zijn, eventueel met toepassing van de strenge maatstaf. Hij concludeert tot vernietiging en verwijzing.
Kernoverwegingen
“In beginsel geldt bij de samenloop van rechtsregels dat indien beide rechtsregels voor toepassing in aanmerking komen beide rechtsregels cumulatief moeten worden toegepast. Als bij samenloop van rechtsregel A en rechtsregel B cumulatie van rechtsgevolgen tot resultaten zou leiden die logisch niet aanvaardbaar zijn of in strijd zou komen met de bewoordingen of de strekking van de wet dan heeft de gerechtigde de keuze (alternativiteit).(15) Wanneer ook dit tot onaanvaardbare resultaten zou leiden dan is of rechtsregel A of rechtsregel B van toepassing (exclusiviteit). Welke oplossing moet worden gekozen hangt grotendeels af van de strekking van de betrokken rechtsregels.(16) In HR 15 november 2002, NJ 2003, 48 heeft de Hoge Raad bepaald dat van exclusieve werking van een wettelijke regeling slechts sprake kan zijn indien de wet zulks voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt.(17) Volgens de Hoge Raad moet de rechter in het geval van samenloop van wettelijke regelingen zo nodig alle mogelijke grondslagen voor het gevorderde onderzoeken, tenzij de eiser dit niet wenst.(18) Rechtbank en hof hebben zich in het onderhavige geval op het standpunt gesteld dat de strekking van de artikelen 2:9 en 7:661 BW, de strenge toerekeningsmaatstaf ter bescherming van de bestuurder/werknemer, zich verzet tegen alternativiteit en de keuze van de werkgever om een voormalig bestuurder/ werknemers aan te spreken op grond van de ruime grondslag in art. 6:162 BW in plaats van de artikelen 2:9 en 7:661 […]”
r.o. 2.10
“Artikel 2:9 BW luidt als volgt: "Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijk vervulling van de hem opgedragen taak. Indien het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk terzake van een tekortkoming, tenzij deze niet aan hem is te wijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden." De Hoge Raad heeft herhaaldelijk geoordeeld dat voor de aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat de vraag of er sprake is van een ernstig verwijt beoordeeld dient te worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval.(19) De maatstaf voor aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van art. 2:9 BW, ernstige verwijtbaarheid, ligt hoger dan de schuld-maatstaf in art. 6:162 lid 3 BW. Onrechtmatig handelen (in de zin van art. 6:162 BW) alleen is dus niet voldoende voor aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW, er moet sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen. Of er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen hangt sterk af van de omstandigheden van het geval en het moment waarop de desbetreffende handelingen werden verricht. In de wetgeschiedenis en literatuur is geen eenduidige definitie te vinden van wat onder ernstig verwijtbaar handelen van een bestuurder kan worden verstaan. In de literatuur is wel betoogd dat, wanneer het risico […]”
r.o. 2.11
“De beperking van de aansprakelijkheid van bestuurders en werknemers door de strenge toerekeningsmaatstaf in de artikelen 2:9 en 7:661 BW is, zoals ik al heb opgemerkt, ingegeven door de gedachte dat bestuurders en werknemers beschermd dienen te worden tegen een vergaande aansprakelijkheid naar aanleiding van fouten gemaakt tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden. Hierbij heeft ook de gedachte een rol gespeeld dat deze niet in verhouding kan staan met de beloning die zij ontvangen voor deze werkzaamheden ten behoeve van de werkgever. De wetgever heeft, behoudens op grond van de bijzondere omstandigheden in het concrete geval, de aansprakelijkheidsmaatstaf in art. 6:162 lid 3 BW niet van toepassing willen laten zijn in de gevallen waarin de werknemer aansprakelijk wordt gesteld voor schade veroorzaakt bij de uitvoering van de bestuurstaak/arbeidsovereenkomst aan de werkgever of aan derden. Wat betreft de aansprakelijkheid van de werknemer jegens de werkgever voor fouten in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst heeft de wetgever uitdrukkelijk te kennen gegeven slechts één regime van toepassing te willen laten zijn (het regime van art. 7:661 en 6:170 BW). Dit uitgangspunt van de wetgever zou worden omzeild indien het de werkgever wordt toegestaan om de ruimere grondslag van art. 6:162 BW aan zijn vordering te leggen in plaats van de beperkte grondslag van art. 7:661 BW. Ik merk hierbij wel op dat dit uitgangspunt alleen geldt voor werkzaamheden bij de uitvoering van de […]”
r.o. 2.15