← Week 16

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 20 april 2007

Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder wegens betalingen in strijd met statuten

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie bespreekt de A-G het ontslag en de schorsing van een stichtingsbestuurder op grond van artikel 2:298 BW wegens betalingen aan bestuursleden in strijd met de statuten. Ontslag vereist dat ten tijde van de handeling redelijkerwijs geen verschil van mening over de onrechtmatigheid mogelijk was; die maatstaf is volgens de A-G correct toegepast. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden bij voorlopige voorzieningen zolang de procedure als geheel de gelegenheid tot verweer bood. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Ter inleiding op de beoordeling van deze klachten merk ik het volgende op. Volgens art. 2:298 lid 1 onder a BW kan een bestuurder die iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, door de rechtbank worden ontslagen. In zijn beschikking van 3 januari 1975, NJ 1975, 222 m.nt. GJS heeft de Hoge Raad, ten aanzien van de vrijwel gelijkluidende voorloper van art. 2:298 BW (art. 12 Wet op de Stichtingen), overwogen dat de wetgever met deze ontslagbevoegdheid van de rechter niet heeft bedoeld het invoeren van een algemene controle op het beleid van de bestuurders van stichtingen, doch slechts een controle op de rechtmatigheid van dat beleid op het oog heeft gehad; het zou uitsluitend gaan om gevallen van een "uitgesproken onrechtmatig handelen". In lijn hiermee heeft de Hoge Raad met betrekking tot de ontslaggrond 'wanbeheer' overwogen dat dit niet moet worden verstaan in de ruime betekenis van wanbestuur nu de wetgever hiermee niet heeft gedacht aan bestuurlijk wanbeleid in het algemeen, maar aan tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de stichting of van de zorg voor de verkrijging van de inkomsten waarover de stichting kan beschikken. Evenzo heeft de Hoge Raad ten aanzien van bestuurshandelingen in strijd met de bepalingen van de wet gesteld dat de wetgever deze slechts als mogelijke grond voor ontslag heeft willen aanvaarden, indien op het moment van het plegen van die handelingen […]”

r.o. 2.3

“In de bestreden r.o. 3.12 heeft het hof, blijkens r.o. 3.11, de grieven B3 en B4 heeft behandeld. Met het oog op de door de onderdelen opgeworpen klachten is van belang dat [verzoeker] in grief B3 en B4 heeft gesteld dat de bestuurders van de Stichting, waaronder hijzelf, tot 19 december 2000 nimmer een honorering van hun werkzaamheden hadden ontvangen. Bedoeling van de uitkeringen aan de bestuurders was te betalen voor geleverde diensten. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de bestuursleden tot de betalingen zijn overgegaan nadat zij uitgebreid advies hadden gevraagd aan in hun ogen deskundigen en van hen een positief advies hadden gekregen. Dit gegeven zou volgens [verzoeker] zeer relevant zijn voor de vraag of er wel sprake is geweest van bestuurshandelingen waarvan op het moment van het plegen van die handelingen, redelijkerwijs geen verschil van mening over de onrechtmatigheid mogelijk was, zoals de Hoge Raad heeft bepaald in zijn beschikking van 3 januari 1975, NJ 1975, 222 m.nt. GJS. In het eerste deel van r.o. 3.12 is het hof nagegaan óf [verzoeker] gehandeld heeft in strijd met de statuten. Door het hof is uitvoerig aangegeven dat het als bestuurder instemmen met het doen van betalingen door de Stichting aan de (voormalige) bestuurders, in strijd is zowel met de statuten die golden tot aan de statutenwijziging van 19 september 2000 als met de vanaf die datum geldende (nieuwe) statuten. Vervolgens heeft het hof in de laatste alinea van r.o. 3.12 overwogen dat (anders […]”

r.o. 2.4

“Art. 19 Rv bepaalt dat de rechter partijen over en weer in de gelegenheid stelt hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit. Reeds uit de tekst van deze bepaling blijkt dus dat het beginsel van hoor en wederhoor niet absoluut geldt, maar dat daarop uitzonderingen mogelijk zijn. In dat kader is van belang dat voor een verzoekschriftprocedure geldt dat de rechter ingevolge art. 279 lid 1 Rv onverwijld dag en uur bepaalt waarop de behandeling aanvangt, tenzij hij zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst. Krachtens deze bepaling beschikt de rechter dus over de bevoegdheid een zaak die zich daarvoor leent aanstonds af te doen zonder nadere mondelinge behandeling. Uit het arrest van HR 19 mei 1989, NJ 1989, 802 m.nt. JBMV, dat ziet op de voorloper van art. 279 lid 1 Rv: art. 429f (oud)Rv, valt af te leiden dat deze bevoegdheid ruim moet worden opgevat. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor, zoals dit is neergelegd in art. 19 Rv, is daarbij pas sprake als de wederpartij zich niet over het verzoek zou kunnen hebben uitlaten. Hiervan is in casu geen sprake. Zoals het hof in r.o. 3.4 heeft overwogen en in cassatie (terecht) niet wordt bestreden, is [verzoeker] immers zowel in eerste aanleg als in hoger beroep wél in de gelegenheid geweest zijn […]”

r.o. 2.12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
20 april 2007
Datum publicatie
20 april 2007
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:298 BW, 2:285 BW, 2:299 BW, 2:302 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
bestuurder
Weekoverzicht
Week 16 van 2007

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.