← Week 18

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 4 mei 2007

Enquête: wanbeleid bij taxicentrale door machtsconcentratie en onverantwoord spaarfonds; conclusie A-G

  • Enquêterecht
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In deze conclusie behandelt de A-G een cassatieberoep tegen een beschikking van de OK waarin na een enquête wanbeleid bij een taxicentrale-B.V. is vastgesteld. Het wanbeleid zat in de machtsconcentratie bij een kleine groep (interne) bestuurders ten koste van de certificaathouders en in de gebrekkige verantwoording van het spaarfonds. De A-G acht de motiveringsklachten ongegrond en concludeert tot verwerping.

Kernoverwegingen

“De onderdelen falen. De onderdelen zien er in de eerste plaats aan voorbij dat de Ondernemingskamer in rov. 3.28 uitvoerig de conclusie uit het verslag heeft geciteerd, waarmee de bestreden rechtsoverweging in beginsel voldoende is onderbouwd. Onder meer de volgende passage uit het verslag wordt geciteerd: "Kort gezegd is er sprake (geweest) van een versterking van de macht van het bestuur ten koste van de certificaathouders, waarbij steeds dezelfde drie personen, te weten de heren [verzoeker 3], [verzoeker 2] en [verzoeker 1] (als een soort van "driemanschap") het beleid bepalen en uitvoeren zonder een voldoende inzicht te geven aan alle betrokkenen. Naar de mening van de Onderzoekers is er op dit moment dan ook sprake van een ongezonde situatie in de verhouding tussen de certificaathouders enerzijds en TCA anderzijds, met name in het licht van de (toentertijd bestaande) gedachte dat de centrale er "slechts" is ten behoeve van de certificaathouders en niet andersom." Ik merk op dat de Ondernemingskamer bovenstaande overweging in rov. 3.30 nog nader heeft toegelicht, door een vijftal omstandigheden op te sommen waaruit blijkt dat [verzoeker] c.s. bewust hebben getracht hun invloed op het beleid en de gang van zaken bij de vennootschap te versterken. Nu de onderdelen verzuimen inzichtelijk te maken welke door [verzoeker] c.s. aangevoerde verweren verhinderen dat de Ondernemingskamer de conclusies van de onderzoekers heeft mogen overnemen, althans waarom de gegeven motivering […]”

r.o. 3.26

“Het onderdeel faalt omdat hetgeen wordt overwogen in rov. 3.19 niet ziet op de vraag of sprake is geweest van wanbeleid. De Ondernemingskamer constateert in rov. 3.19 slechts dat de relatie van de certificaathouders en de vennootschap mede door andere overeenkomsten wordt bepaald. Ik merk nog op dat, voor zover het onderdeel betoogt dat het bestaan van contractuele relaties tussen de certificaathouders en de vennootschap in het geheel geen rol mag spelen bij de beoordeling of sprake is geweest van wanbeleid, nu de verhouding tussen de certificaathouders en de vennootschap wordt beheerst door de certificeringsvoorwaarden, deze opvatting onjuist is. Het beleid van de vennootschap vormt het onderwerp van een enquête-onderzoek. Het bestaan van overeenkomsten met de certificaathouders kan voor de toetsing van het beleid van de vennootschap een relevant gegeven zijn. 3.35 Onderdeel 4 voert aan dat de Ondernemingskamer het oordeel dat sprake is geweest van wanbeleid (rov. 3.29 tot en met 3.31 en 3.33) onvoldoende heeft gemotiveerd. Zo hebben de onderzoekers niet geconcludeerd dat sprake is geweest van wanbeleid. Voorts heeft de Ondernemingskamer verzuimd inzichtelijk te maken waarom de vennootschap de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap heeft overschreden en in de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid tot haar beleid heeft kunnen komen, aldus het onderdeel. 3.36 Het onderdeel faalt. De Ondernemingskamer heeft het oordeel dat sprake is geweest van wanbeleid […]”

r.o. 3.34

“Het onderdeel faalt. De Ondernemingskamer heeft het oordeel dat sprake is geweest van wanbeleid onderbouwd door erop te wijzen dat (i) de TCA-structuur zoals die in de loop der jaren inhoud heeft gekregen heeft geleid tot een toestand van de vennootschap en haar organen die uit een oogpunt van goede corporate governance de toets der kritiek niet (meer) kan doorstaan, aangezien de gang van zaken bij de vennootschap en Stichting AK te zeer wordt beheerst door [verzoeker 1], [verzoeker 3] en [verzoeker 2] (rov. 3.29); en (ii) de vennootschap is tekort geschoten in de verantwoording van de door de certificaathouders in het spaarfonds bijeengebrachte gelden (rov. 3.33). Deze - niet met succes bestreden - gronden acht ik voldoende om het oordeel van de Ondernemingskamer te kunnen dragen. 3.37 Dat in het verslag niet expliciet tot wanbeleid is geconcludeerd laat zich verklaren uit het feit dat het aan de onderzoekers is het beleid van de vennootschap te onderzoeken en aan de Ondernemingskamer met name aan de hand van het verslag van het onderzoek te beoordelen of sprake is geweest van wanbeleid. 3.38 Voorzover het onderdeel betoogt dat de Ondernemingskamer onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden het gevoerde beleid de toets der redelijkheid - gelet op de het bestuur toekomende beleidsvrijheid - niet zou kunnen doorstaan, mede gezien hetgeen door [verzoeker] c.s. is aangevoerd, geldt het volgende. De Ondernemingskamer was niet gehouden op alle stellingen […]”

r.o. 3.36

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2007:BA1082
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
4 mei 2007
Datum publicatie
4 mei 2007
Spoor
Boek 2 BW
Thema
Enquêterecht, Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
bestuurder
Weekoverzicht
Week 18 van 2007

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.