← Week 41

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 12 oktober 2007

Enquête: impasse in AVA bij 50/50-aandeelhouders vader en zoon, conclusie tot verwerping

  • Enquêterecht
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een enquêteverzoek van een 50%-aandeelhouder in een holding is door de OK toegewezen na een conflict tussen vader en zoon, waarbij de bestuurder de zoon ontsloeg. In cassatie wordt het oordeel over gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, mede op grond van een dreigende impasse in de AVA, bestreden. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“Overigens dient het onderdeel mijns inziens ook op inhoudelijke gronden te falen. Hetgeen het onderdeel betoogt - dat niet behoeft te worden gevreesd voor een impasse in de algemene vergadering van [verzoekster 1] - omdat [verzoeker 3] als bestuurder van [A] kan verhinderen dat het stemrecht op de door [verweerster] gehouden aandelen in [verzoekster 1] kan worden uitgeoefend - laat onverlet dat zich alsdan een impasse voordoet ten aanzien van het uitoefenen van het stemrecht op de door [verweerster] gehouden aandelen in [verzoekster 1]. Zulks regardeert ook het functioneren van de algemene vergadering van [verzoekster 1]. Hierbij dient men te bedenken dat [betrokkene 1] bestuurder van [verweerster] is. Deze functie brengt mee dat hij het stemrecht op de door [verweerster] gehouden aandelen uitoefent. Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel van de Ondernemingskamer dat een impasse dreigt in de besluitvorming van [verzoekster 1] niet onbegrijpelijk. 3.9 Onderdeel 2 bestaat uit drie subonderdelen die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Het onderdeel keert zich tegen de volgende overweging, tussen haken staande overweging uit rov. 3.6: "(en het bovendien juist [verzoekster 1] is die ten behoeve van de werkzaamheden investeert in - vaak kostbaar - materieel)" 3.10 Het onderdeel voert aan dat deze overweging niet begrijpelijk is in het licht van door verzoekster tot cassatie bij de Ondernemingskamer overgelegde producties. 3.11 Het onderdeel faalt bij gebrek aan belang. […]”

r.o. 3.8

“Het onderdeel faalt bij gebrek aan belang. Het door de Ondernemingskamer tussen haken overwogene heeft niet een zodanige draagkracht dat, indien deze overweging zou komen te vervallen, het oordeel dat een impasse in de effectieve besluitvorming over de door [verzoekster 1] te voeren koers dreigt, onvoldoende is gemotiveerd. De bestreden overweging betreft een voorbeeld. 3.12 Onderdeel 3 valt uiteen in drie subonderdelen die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. 3.13 Het onderdeel keert zich tegen rov. 3.5: "3.5 Verzoekster heeft in dat verband gesteld dat [verzoekster 1] en haar dochtervennootschappen sinds de oprichting van Klaar Baggertechnieken in 2004 voor een bedrag van € 280.000 omzet hebben behaald door contracten met Klaar Baggertechnieken en dat de verwachting is dat in de komende jaren die omzet zou kunnen oplopen tot € 1.000.000 per jaar. Door verweersters is daarover opgemerkt dat zij het bedrag van € 280.000 "geheel voor rekening van verzoekster (laten)" en dat de aan de prognose van € 1.000.000 per jaar ten grondslag liggende brief van de bestuurder van Klaar Baggertechnieken geen motivering kent. De Ondernemingskamer is van oordeel dat de weerspreking nog niet inhoudt dat de zakelijke relatie met Klaar Baggertechnieken voor [verzoekster 1] en haar dochtervennootschappen niet profijtelijk zou zijn. Ook het verweer dat de beëindiging van de zakelijke relatie met Klaar Baggertechnieken gerechtvaardigd zou zijn in verband met het door verweersters gewenste […]”

r.o. 3.11

“Het onderdeel faalt bij gebreke aan feitelijke grondslag. Verderop in de beschikking in rov. 3.7 overweegt de Ondernemingskamer: "Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid van [verzoekster 1] en haar dochtervennootschappen." Daarbij is kennelijk mede redengevend geweest hetgeen de Ondernemingskamer in rov. 3.6 heeft overwogen over de impasse in de besluitvorming van de algemene vergadering van aandeelhouders van [verzoekster 1] en de gevolgen daarvan voor de te volgen koers. 3.16 Onderdeel 4 keert zich tegen de volgende overweging uit rov 3.4: "Op welke wijze evenwel [betrokkene 1] eigengereid zou zijn gaan optreden - en in hoeverre dat niet in het belang van [verzoekster 1] onderscheidenlijk haar dochtervennootschappen was - en tot welke gevolgen die belangenverstrengeling heeft geleid, is door verweersters evenwel niet, althans onvoldoende gesubstantieerd." 3.17 Het onderdeel klaagt dat deze overweging onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen door verzoekers tot cassatie is aangevoerd in feitelijke instantie, met name onder 5, 7, 9, 15 en 16 van het verweerschrift. 3.18 In rov. 3.4 overweegt de Ondernemingskamer dat conflicten als deze in het algemeen schadelijk zijn voor de betrokken ondernemingen, met name indien deze conflicten niet zijn terug te voeren op zakelijk verschil van inzicht, maar wortelen in de persoonlijke sfeer. Ik begrijp de bestreden overweging zo dat de Ondernemingskamer het verweer van […]”

r.o. 3.15

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2007:BB4203
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
12 oktober 2007
Datum publicatie
12 oktober 2007
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:344 BW
Thema
Enquêterecht, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 41 van 2007

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.