← Week 25

Parket bij de Hoge Raad · conclusie · 20 juni 2008

Conclusie: bestuurdersaansprakelijkheid jegens aandeelhouder; ernstig verwijt, schending statutaire goedkeuringsplicht

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een investeerder en minderheidsaandeelhouder stelt de bestuurders van een B.V. aansprakelijk, omdat zij zonder de statutair vereiste goedkeuring van de algemene vergadering surséance aanvroegen. De A-G meent dat bij aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een aandeelhouder uit onrechtmatige daad een ernstig verwijt is vereist, in lijn met artikel 2:9 BW. Schending van een norm die specifiek de aandeelhouder beschermt levert in beginsel zo'n verwijt op, maar de bestuurder mag zich met zeer zwaarwegende omstandigheden disculperen. De A-G concludeert tot vernietiging van het arrest van het hof.

Kernoverwegingen

“Het ligt in de rede om bij een vordering van een aandeelhouder tegen een bestuurder op grond van onrechtmatige daad, zoals in het onderhavige geval aan de orde, een vergelijkbare mate van verwijtbaarheid als bij toepassing van art. 2:9 BW te eisen. Indien een lichtere toets, bijvoorbeeld ongekwalificeerde verwijtbaarheid, voldoende zou zijn om persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders jegens een aandeelhouder op grond van onrechtmatige daad te vestigen, dan zou dit de toepassing van art. 2:9 BW onder druk zetten. Een aandeelhouder zou in een geval als het onderhavige niet langer willen bewerkstelligen dat de vennootschap zelf een vordering op grond van art. 2:9 BW instelt, maar zij zou zelf een procedure starten. Voor bestuurdersaansprakelijkheid jegens de vennootschap zou (in beginsel) ernstig verwijtbaar handelen vereist zijn, terwijl de aandeelhouder bij minder ernstig verwijtbaar handelen hun schadevordering vergoed zou krijgen. Ik vind dat een onwenselijke situatie. 5.9 Uw Raad heeft voor het probleem van de omtrekkende beweging via een vordering uit onrechtmatige daad oog gehad in het recente arrest Nutsbedrijf Westland/[...] c.s.(11) Het ging in dat geval om een samenloop van art. 2:9, 7:661 en 6:162 BW. waarbij de vennootschap tegen de bestuurder een onrechtmatige daadsvordering instelde: "3.4.4. [Art. 2:9 BW en art. 7:661 BW] impliceren dus een beperking van de aansprakelijkheid van de bestuurder respectievelijk werknemer voor schade die zij, kort gezegd, […]”

r.o. 5.8

“Tussen het [C]-arrest en het bestreden arrest van het hof bestaan verschillen. De zaak-[C] speelt zich af tussen de vennootschap en de bestuurder op basis van art. 2:9 BW, terwijl in de onderhavige zaak een aandeelhouder tegen een bestuurder op grond van onrechtmatige daad procedeert. Voor de te hanteren verwijtbaarheidsmaatstaf leggen deze verschillen m.i. geen gewicht in de schaal. Het lijkt in overeenstemming met de jurisprudentie van Uw Raad in beide gevallen ernstige verwijtbaarheid te verlangen. 5.13 In het bestreden arrest heeft het hof, evenals de rechtbank, geoordeeld dat de norm dat het bestuur van [A] aan de aandeelhoudersvergadering goedkeuring diende te vragen voor het aanvragen van surseance van betaling specifiek tot bescherming van de belangen van NOM dient (zie rov. 13 van het bestreden arrest). Deze norm is zowel in de statuten als in de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst tot uitdrukking gebracht. Tegen deze vaststelling door het hof is geen cassatiemiddel gericht. Er is hier kennelijk geen sprake van een statutaire bepaling die het belang van de rechtspersoon meer in het algemeen dient, zoals in het [C]-arrest aan de orde was, maar van een statutaire bepaling die het specifieke belang van een bepaalde aandeelhouder beoogt te bevorderen. Daarbij komt nog iets anders: [eiser] c.s. moeten zich bewust zijn geweest van het enigszins bijzondere karakter van de statutaire bepaling, nu vaststaat dat hij in uiteenlopende hoedanigheden de participatie- en […]”

r.o. 5.12

“Wat is nu de relevantie van deze bijzondere omstandigheden die zich niet voordeden in het [C]-arrest? Ik meen dat vooral het feit [eiser] c.s. bewust een statutaire bepaling heeft geschonden die in het bijzonder het belang van NOM beschermt gewicht in de schaal dient te leggen bij de mogelijkheden die [eiser] c.s heeft om zich te disculperen. Deze bijzondere omstandigheid dient tot gevolg te hebben dat in het onderhavige geval de mogelijkheid voor [eiser] c.s. om zich te disculperen beperkter is dan in een geval waarin een dergelijke bijzondere omstandigheid niet speelt. Nu de geschonden statutaire bepaling er nu juist toe strekte de belangen van NOM te waarborgen en [eiser] c.s van dit bijzondere karakter van de betrokken bepaling op de hoogte was dan wel dat behoorde te zijn, dienen hoge eisen te worden gesteld aan hetgeen [eiser] c.s. ter rechtvaardiging van de schending van de betrokken bepaling aanvoert. Om misverstand te vermijden: Ik verdedig niet dat er in het onderhavige geval geen enkele mogelijkheid voor [eiser] c.s. dient te zijn om zich te disculperen. Het is op voorhand niet uit te sluiten dat [eiser] c.s. legitieme redenen had voor de door hem gevolgde handelwijze. Deze redenen dienen m.i. echter wel van zeer zwaarwegende aard te zijn. Het gevolg van de door mij voorgestane benadering is dat in de omstandigheden van het onderhavige geval schending van de statutaire norm dat de bestuurder goedkeuring aan de aandeelhoudersvergadering dient te vragen voor het […]”

r.o. 5.14

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:PHR:2008:BC4959
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Soort
Conclusie
Datum uitspraak
20 juni 2008
Datum publicatie
20 juni 2008
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
2:9 BW, 2:11 BW, 2:8 BW, 6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Overig Boek 2
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 25 van 2008

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.